Remove Ads

German

Detailed Translations for austeilen from German to Dutch

austeilen:

austeilen verbe (teile aus, teilst aus, teilt aus, teilte aus, teiltet aus, ausgeteilt)

  1. austeilen (genehmigen; lassen; erlauben; )
    toestaan; laten; permitteren; toelaten; duren; toestemmen; goedkeuren; gunnen; inwilligen; vergunnen; dulden; goedvinden
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
    • laten verbe (laat, liet, lieten, gelaten)
    • permitteren verbe (permitteer, permitteert, permitteerde, permitteerden, gepermitteerd)
    • toelaten verbe (laat toe, liet toe, lieten toe, toegelaten)
    • duren verbe (duurt, duurde, geduurd)
    • toestemmen verbe (stem toe, stemt toe, stemde toe, stemden toe, toegestemd)
    • goedkeuren verbe (keur goed, keurt goed, keurde goed, keurden goed, goedgekeurd)
    • gunnen verbe (gun, gunt, gunde, gunden, gegund)
    • inwilligen verbe (willig in, willigt in, willigde in, willigden in, ingewilligd)
    • vergunnen verbe (vergun, vergunt, vergunde, vergunden, vergund)
    • dulden verbe (duld, duldt, duldde, duldden, geduld)
    • goedvinden verbe (vind goed, vindt goed, vond goed, vonden goed, goedgevonden)
  2. austeilen (verteilen; distribuieren)
    trakteren; uitdelen
    • trakteren verbe (trakteer, trakteert, trakteerde, trakteerden, getrakteerd)
    • uitdelen verbe (deel uit, deelt uit, deelde uit, deelden uit, uitgedeeld)
  3. austeilen (distribuieren; verteilen; überreichen; )
    distribueren; verdelen; uitreiken; ronddelen
    • distribueren verbe (distribueer, distribueert, distribueerde, distribueerden, gedistribueerd)
    • verdelen verbe (verdeel, verdeelt, verdeelde, verdeelden, verdeeld)
    • uitreiken verbe (reik uit, reikt uit, reikte uit, reikten uit, uitgereikt)
    • ronddelen verbe (deel rond, deelt rond, deelde rond, deelden rond, rondgedeeld)
  4. austeilen (spenden; geben; schenken; )
    geven; schenken; doneren
    • geven verbe (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • schenken verbe (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • doneren verbe (doneer, doneert, doneerde, doneerden, gedoneerd)
  5. austeilen (erlauben; gewähren; gutheißen; )
    toestaan; toestemmen; goed vinden
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
    • toestemmen verbe (stem toe, stemt toe, stemde toe, stemden toe, toegestemd)
    • goed vinden verbe

Conjugations for austeilen:

Präsens
  1. teile aus
  2. teilst aus
  3. teilt aus
  4. teilen aus
  5. teilt aus
  6. teilen aus
Imperfekt
  1. teilte aus
  2. teiltest aus
  3. teilte aus
  4. teilten aus
  5. teiltet aus
  6. teilten aus
Perfekt
  1. habe ausgeteilt
  2. hast ausgeteilt
  3. hat ausgeteilt
  4. haben ausgeteilt
  5. habt ausgeteilt
  6. haben ausgeteilt
1. Konjunktiv [1]
  1. teile aus
  2. teilest aus
  3. teile aus
  4. teilen aus
  5. teilet aus
  6. teilen aus
2. Konjunktiv
  1. teilte aus
  2. teiltest aus
  3. teilte aus
  4. teilten aus
  5. teiltet aus
  6. teilten aus
Futur 1
  1. werde austeilen
  2. wirst austeilen
  3. wird austeilen
  4. werden austeilen
  5. werdet austeilen
  6. werden austeilen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde austeilen
  2. würdest austeilen
  3. würde austeilen
  4. würden austeilen
  5. würdet austeilen
  6. würden austeilen
Diverses
  1. teil aus!
  2. teilt aus!
  3. teilen Sie aus!
  4. ausgeteilt
  5. austeilend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "austeilen":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for austeilen



Remove Ads

Remove Ads