Remove Ads

German

Detailed Translations for einbringen from German to Dutch

einbringen:

einbringen verbe (bringe ein, bringst ein, bringt ein, bracht ein, brachtet ein, eingebracht)

  1. einbringen (gewinnen; ergeben; eintragen; abwerfen)
    opleveren; opbrengen
    • opleveren verbe (lever op, levert op, leverde op, leverden op, opgeleverd)
    • opbrengen verbe (breng op, brengt op, bracht op, brachten op, opgebracht)
  2. einbringen (hineintun)
    inbrengen; doen in; instoppen; indoen
    • inbrengen verbe (breng in, brengt in, bracht in, brachten in, ingebracht)
    • doen in verbe
    • instoppen verbe (stop in, stopt in, stopte in, stopten in, ingestopt)
    • indoen verbe (doe in, doet in, deed in, deden in, ingedaan)
  3. einbringen (mitbringen; bringen; mitnehmen; herbeibringen)
    meebrengen; brengen; langs brengen
    • meebrengen verbe (breng mee, brengt mee, bracht mee, brachten mee, meegebracht)
    • brengen verbe (breng, brengt, bracht, brachten, gebracht)
  4. einbringen (anführen; vorbringen)
    aanvoeren; aandragen
    • aanvoeren verbe (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • aandragen verbe (draag aan, draagt aan, droeg aan, droegen aan, aangedragen)
  5. einbringen (kompensieren; ersetzen; vergüten; )
    compenseren; vergoeden; goedmaken
    • compenseren verbe (compenseer, compenseert, compenseerde, compenseerden, gecompenseerd)
    • vergoeden verbe (vergoed, vergoedt, vergoedde, vergoedden, vergoed)
    • goedmaken verbe (maak goed, maakt goed, maakte goed, maakten goed, goedgemaakt)
  6. einbringen (einführen; vorbringen; entgegnen; )
    iets in te brengen hebben; inbrengen
  7. einbringen (beitragen)
    bijdragen
    • bijdragen verbe (draag bij, draagt bij, droeg bij, droegen bij, bijgedragen)
  8. einbringen (vorschlagen; vorbringen; entgegnen; entgegenhalten; entgegenbringen)
    naar voren brengen; opperen; poneren
    • naar voren brengen verbe (breng naar voren, brengt naar voren, bracht naar voren, brachten naar voren, naar voren gebracht)
    • opperen verbe (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)
    • poneren verbe (poneer, poneert, poneerde, poneerden, geponeerd)
  9. einbringen (distribuieren; verteilen; überreichen; )
    distribueren; verdelen; uitreiken; ronddelen
    • distribueren verbe (distribueer, distribueert, distribueerde, distribueerden, gedistribueerd)
    • verdelen verbe (verdeel, verdeelt, verdeelde, verdeelden, verdeeld)
    • uitreiken verbe (reik uit, reikt uit, reikte uit, reikten uit, uitgereikt)
    • ronddelen verbe (deel rond, deelt rond, deelde rond, deelden rond, rondgedeeld)
  10. einbringen (einholen; einziehen)
    inwinnen; trachten te krijgen

Conjugations for einbringen:

Präsens
  1. bringe ein
  2. bringst ein
  3. bringt ein
  4. bringen ein
  5. bringt ein
  6. bringen ein
Imperfekt
  1. bracht ein
  2. brachtest ein
  3. bracht ein
  4. brachten ein
  5. brachtet ein
  6. brachten ein
Perfekt
  1. habe eingebracht
  2. hast eingebracht
  3. hat eingebracht
  4. haben eingebracht
  5. habt eingebracht
  6. haben eingebracht
1. Konjunktiv [1]
  1. bringe ein
  2. bringest ein
  3. bringe ein
  4. bringen ein
  5. bringet ein
  6. bringen ein
2. Konjunktiv
  1. brächte ein
  2. brächtest ein
  3. brächte ein
  4. brächten ein
  5. brächtet ein
  6. brächten ein
Futur 1
  1. werde einbringen
  2. wirst einbringen
  3. wird einbringen
  4. werden einbringen
  5. werdet einbringen
  6. werden einbringen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde einbringen
  2. würdest einbringen
  3. würde einbringen
  4. würden einbringen
  5. würdet einbringen
  6. würden einbringen
Diverses
  1. bring ein!
  2. bringt ein!
  3. bringen Sie ein!
  4. eingebracht
  5. einbringend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "einbringen":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for einbringen



Remove Ads

Remove Ads