Remove Ads

German

Detailed Translations for einräumen from German to Dutch

einräumen:

einräumen verbe (räume ein, räumst ein, räumt ein, räumte ein, räumtet ein, eingeräumt)

  1. einräumen (hinstellen; einordnen)
    plaatsen; zetten; bijzetten; neerzetten
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten verbe (zet, zette, zetten, gezet)
    • bijzetten verbe (zet bij, zette bij, zetten bij, bijgezet)
    • neerzetten verbe (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  2. einräumen (ablegen; setzen; legen; )
    leggen; plaatsen; zetten; deponeren; neerleggen; stationeren; neerzetten
    • leggen verbe (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten verbe (zet, zette, zetten, gezet)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen verbe (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • stationeren verbe (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • neerzetten verbe (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  3. einräumen (genehmigen; lassen; erlauben; )
    toestaan; laten; permitteren; toelaten; duren; toestemmen; goedkeuren; gunnen; inwilligen; vergunnen; dulden; goedvinden
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
    • laten verbe (laat, liet, lieten, gelaten)
    • permitteren verbe (permitteer, permitteert, permitteerde, permitteerden, gepermitteerd)
    • toelaten verbe (laat toe, liet toe, lieten toe, toegelaten)
    • duren verbe (duurt, duurde, geduurd)
    • toestemmen verbe (stem toe, stemt toe, stemde toe, stemden toe, toegestemd)
    • goedkeuren verbe (keur goed, keurt goed, keurde goed, keurden goed, goedgekeurd)
    • gunnen verbe (gun, gunt, gunde, gunden, gegund)
    • inwilligen verbe (willig in, willigt in, willigde in, willigden in, ingewilligd)
    • vergunnen verbe (vergun, vergunt, vergunde, vergunden, vergund)
    • dulden verbe (duld, duldt, duldde, duldden, geduld)
    • goedvinden verbe (vind goed, vindt goed, vond goed, vonden goed, goedgevonden)
  4. einräumen (aufräumen; ausräumen; abräumen; )
    opruimen; afdekken; afruimen
    • opruimen verbe (ruim op, ruimt op, ruimde op, ruimden op, opgeruimd)
    • afdekken verbe (dek af, dekt af, dekte af, dekten af, afgedekt)
    • afruimen verbe (ruim af, ruimt af, ruimde af, ruimden af, afgeruimd)
  5. einräumen (erlauben; gewähren; gutheißen; )
    toestaan; toestemmen; goed vinden
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
    • toestemmen verbe (stem toe, stemt toe, stemde toe, stemden toe, toegestemd)
    • goed vinden verbe
  6. einräumen (unteraus legen; stecken; legen; )
    neerleggen; onderuit halen

Conjugations for einräumen:

Präsens
  1. räume ein
  2. räumst ein
  3. räumt ein
  4. räumen ein
  5. räumt ein
  6. räumen ein
Imperfekt
  1. räumte ein
  2. räumtest ein
  3. räumte ein
  4. räumten ein
  5. räumtet ein
  6. räumten ein
Perfekt
  1. habe eingeräumt
  2. hast eingeräumt
  3. hat eingeräumt
  4. haben eingeräumt
  5. habt eingeräumt
  6. haben eingeräumt
1. Konjunktiv [1]
  1. räume ein
  2. räumest ein
  3. räume ein
  4. räumen ein
  5. räumet ein
  6. räumen ein
2. Konjunktiv
  1. räumte ein
  2. räumtest ein
  3. räumte ein
  4. räumten ein
  5. räumtet ein
  6. räumten ein
Futur 1
  1. werde einräumen
  2. wirst einräumen
  3. wird einräumen
  4. werden einräumen
  5. werdet einräumen
  6. werden einräumen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde einräumen
  2. würdest einräumen
  3. würde einräumen
  4. würden einräumen
  5. würdet einräumen
  6. würden einräumen
Diverses
  1. räum ein!
  2. räumt ein!
  3. räumen Sie ein!
  4. eingeräumt
  5. einräumend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "einräumen":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads