Remove Ads

English

Detailed Translations for employment from English to Dutch

employment:

employment [the ~] nom

  1. the employment
    de werkgelegenheid
  2. the employment (work; occupation; profession; job)
    het beroep; het werk; het vak
  3. the employment (unemployment relief works; relief work)
  4. the employment (business; occupation)
    de handel; de zaak; het winkelbedrijf; de nering; kleine onderneming; het bedrijf
  5. the employment (hiring; chartering)

Related Words for "employment":


Synonyms for "employment":


Antonyms for "employment":


Related Definitions for "employment":

  1. the occupation for which you are paid1
    • he is looking for employment1
  2. the act of using1
  3. the act of giving someone a job1
  4. the state of being employed or having a job1
    • they are looking for employment1

employment form of employ:

to employ verbe (emploies, employed, employing)

  1. to employ (utilize; apply; implement; )
    gebruiken; toepassen; aanwenden; benutten; aangrijpen
    • gebruiken verbe (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen verbe (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden verbe (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten verbe (benut, benutte, benutten, benut)
    • aangrijpen verbe (grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
  2. to employ (hire; recruit; engage; sign on)
    in dienst nemen; aannemen; aantrekken; inhuren
    • in dienst nemen verbe (neem in dienst, neemt in dienst, nam in dienst, namen in dienst, in dienst genomen)
    • aannemen verbe (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • aantrekken verbe (trek aan, trekt aan, trok aan, trokken aan, aangetrokken)
    • inhuren verbe (huur in, huurt in, huurde in, huurden in, ingehuurd)
  3. to employ (use; utilize; make use of; )
    gebruiken; hanteren; gebruik maken van; bezigen
    • gebruiken verbe (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • hanteren verbe (hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
    • gebruik maken van verbe (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • bezigen verbe (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  4. to employ (set to work; hire)
    tewerkstellen; detacheren; uitzenden
    • detacheren verbe (detacheer, detacheert, detacheerde, detacheerden, gedetacheerd)
    • uitzenden verbe (zend uit, zendt uit, zond uit, zonden uit, uitgezonden)
  5. to employ (make use of; apply; utilize; use; utilise)
    gebruiken; toepassen; gebruik maken van; benutten; aanwenden
    • gebruiken verbe (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen verbe (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • gebruik maken van verbe (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • benutten verbe (benut, benutte, benutten, benut)
    • aanwenden verbe (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
  6. to employ (utilize; apply; make use of; )
    gebruiken; aanwenden; benutten; gebruik maken van; utiliseren
    • gebruiken verbe (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • aanwenden verbe (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten verbe (benut, benutte, benutten, benut)
    • gebruik maken van verbe (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • utiliseren verbe (utiliseer, utiliseert, utiliseerde, utiliseerden, geutiliseerd)

Conjugations for employ:

present
  1. employ
  2. employ
  3. emploies
  4. employ
  5. employ
  6. employ
simple past
  1. employed
  2. employed
  3. employed
  4. employed
  5. employed
  6. employed
present perfect
  1. have employed
  2. have employed
  3. has employed
  4. have employed
  5. have employed
  6. have employed
past continuous
  1. was employing
  2. were employing
  3. was employing
  4. were employing
  5. were employing
  6. were employing
future
  1. shall employ
  2. will employ
  3. will employ
  4. shall employ
  5. will employ
  6. will employ
continuous present
  1. am employing
  2. are employing
  3. is employing
  4. are employing
  5. are employing
  6. are employing
subjunctive
  1. be employed
  2. be employed
  3. be employed
  4. be employed
  5. be employed
  6. be employed
diverse
  1. employ!
  2. let's employ!
  3. employed
  4. employing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Related Words for "employ":


Synonyms for "employ":


Antonyms for "employ":


Related Definitions for "employ":

  1. the state of being employed or having a job1
    • they are looking for employment1
    • he was in the employ of the city1
  2. put into service; make work or employ for a particular purpose or for its inherent or natural purpose1
  3. engage or hire for work1
    • How many people has she employed?1

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for employment



Remove Ads

Remove Ads