Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for concertar from Spanish to Dutch

concertar:

concertar verbe

  1. concertar (cerrar; pasar; cerrarse; )
    afsluiten; sluiten; toedoen; dichtdoen; toemaken
    • afsluiten verbe (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • sluiten verbe (sluit, sloot, sloten, gesloten)
    • toedoen verbe (doe toe, doet toe, deed toe, deden toe, toegedaan)
    • dichtdoen verbe (doe dicht, doet dicht, deed dicht, deden dicht, dichtgedaan)
    • toemaken verbe
  2. concertar (armonizar; consonar)
    op een lijn brengen; tot een goed samengaand geheel maken; harmoniseren
  3. concertar (coincidir con; coincidir; concordar)
    overeenkomen; overeenstemmen met; overeenkomen met; kloppen met; stroken; stroken met
  4. concertar (concluir; sacar conclusiones de; deducir; )
    concluderen; opmaken uit; een gevolgtrekking maken
    • concluderen verbe (concludeer, concludeert, concludeerde, concludeerden, geconcludeerd)
    • opmaken uit verbe
    • een gevolgtrekking maken verbe (maak een gevolgtrekking, maakt een gevolgtrekking, maakte een gevolgtrekking, maakten een gevolgtrekking, een gevolgtrekking gemaakt)

Conjugations for concertar:

presente
  1. concierto
  2. conciertas
  3. concierta
  4. concertamos
  5. concertáis
  6. conciertan
imperfecto
  1. concertaba
  2. concertabas
  3. concertaba
  4. concertábamos
  5. concertabais
  6. concertaban
indefinido
  1. concerté
  2. concertaste
  3. concertó
  4. concertamos
  5. concertasteis
  6. concertaron
fut. de ind.
  1. concertaré
  2. concertarás
  3. concertará
  4. concertaremos
  5. concertaréis
  6. concertarán
condic.
  1. concertaría
  2. concertarías
  3. concertaría
  4. concertaríamos
  5. concertaríais
  6. concertarían
pres. de subj.
  1. que concierte
  2. que conciertes
  3. que concierte
  4. que concertemos
  5. que concertéis
  6. que concierten
imp. de subj.
  1. que concertara
  2. que concertaras
  3. que concertara
  4. que concertáramos
  5. que concertarais
  6. que concertaran
miscelánea
  1. ¡concierta!
  2. ¡concertad!
  3. ¡no conciertes!
  4. ¡no concertéis!
  5. concertado
  6. concertando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "concertar":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads