Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for cubrir from Spanish to Dutch

cubrir:

cubrir verbe

  1. cubrir (tapar; recubrir; revestir; )
    bedekken; bekleden; overtrekken
    • bedekken verbe (bedek, bedekt, bedekte, bedekten, bedekt)
    • bekleden verbe (bekleed, bekleedt, bekleedde, bekleedden, bekleed)
    • overtrekken verbe (overtrek, overtrekt, overtrok, overtrokken, overtrokken)
  2. cubrir (encubrir; proteger; tapar; )
    afschermen; afdekken; beschermen; afschutten; beschutten
    • afschermen verbe (scherm af, schermt af, schermde af, schermden af, afgeschermd)
    • afdekken verbe (dek af, dekt af, dekte af, dekten af, afgedekt)
    • beschermen verbe (bescherm, beschermt, beschermde, beschermden, beschermd)
    • afschutten verbe (schut af, schutte af, schutten af, afgeschut)
    • beschutten verbe (beschut, beschutte, beschutten, beschut)
  3. cubrir (alisar; planchar; rozar; arriar)
    strijken; gladstrijken
    • strijken verbe (strijk, strijkt, streek, streken, gestreken)
    • gladstrijken verbe (strijk glad, strijkt glad, strijkte glad, strijkten glad, gladgestreken)
  4. cubrir (recubrir)
    overdekken
    • overdekken verbe (overdek, overdekt, overdekte, overdekten, overdekt)
  5. cubrir (techar; recubrir; abovedar; poner un techo)
    dekken; overwelven; overkappen
    • dekken verbe (dek, dekt, dekte, dekten, gedekt)
    • overwelven verbe (overwelf, overwelft, overwelfde, overwelfden, overwelfd)
    • overkappen verbe (overkap, overkapt, overkapte, overkapten, overkapt)
  6. cubrir (abarcar; incluir; contener; )
    omvatten
    • omvatten verbe (omvat, omvatte, omvatten, omvat)
  7. cubrir (blindar)
    afdekken; blinderen
    • afdekken verbe (dek af, dekt af, dekte af, dekten af, afgedekt)
    • blinderen verbe (blindeer, blindeert, blindeerde, blindeerden, geblindeerd)
  8. cubrir (abarcar; incluir; acompañar; )
    toevoegen; bijvoegen; insluiten; bijsluiten
    • toevoegen verbe (voeg toe, voegt toe, voegde toe, voegden toe, toegevoegd)
    • bijvoegen verbe (voeg bij, voegt bij, voegde bij, voegden bij, bijgevoegd)
    • insluiten verbe (sluit in, sloot in, sloten in, ingesloten)
    • bijsluiten verbe
  9. cubrir (rellenar; cerrar; tapar; terraplenar)
    dichtgooien
    • dichtgooien verbe (gooi dicht, gooit dicht, gooide dicht, gooiden dicht, dichtgegooid)
  10. cubrir (drapear; envolver; cubrir con tela)
    draperen; met stof behangen
    • draperen verbe (drapeer, drapeert, drapeerde, drapeerden, gedrapeerd)
    • met stof behangen verbe (behang met stof, behangt met stof, behing met stof, behingen met stof, met stof behangen)
  11. cubrir (pasar)
  12. cubrir (tapar; dar a escondidas)
    toestoppen
    • toestoppen verbe (stop toe, stopt toe, stopte toe, stopten toe, toegestopt)
  13. cubrir (revestir; decorar)
    bekleden; van bekleding voorzien; overtrekken; stofferen
    • bekleden verbe (bekleed, bekleedt, bekleedde, bekleedden, bekleed)
    • overtrekken verbe (overtrek, overtrekt, overtrok, overtrokken, overtrokken)
    • stofferen verbe (stoffeer, stoffeert, stoffeerde, stoffeerden, gestoffeeerd)
  14. cubrir (encubrir; velar; enmascarar; esconder; ocultar)
    maskeren; omhullen; bedekken; verhullen; versluieren; bemantelen; inhullen; hullen
    • maskeren verbe (masker, maskert, maskerde, maskerden, gemaskeerd)
    • omhullen verbe (omhul, omhult, omhulde, omhulden, omhuld)
    • bedekken verbe (bedek, bedekt, bedekte, bedekten, bedekt)
    • verhullen verbe (verhul, verhult, verhulde, verhulden, verhuld)
    • versluieren verbe (versluier, versluiert, versluierde, versluierden, versluierd)
    • bemantelen verbe (bemantel, bemantelt, bemantelde, bemantelden, bemanteld)
    • inhullen verbe (hul in, hult in, hulde in, hulden in, ingehuld)
    • hullen verbe (hul, hult, hulde, hulden, gehuld)

Conjugations for cubrir:

presente
  1. cubro
  2. cubres
  3. cubre
  4. cubrimos
  5. cubrís
  6. cubren
imperfecto
  1. cubría
  2. cubrías
  3. cubría
  4. cubríamos
  5. cubríais
  6. cubrían
indefinido
  1. cubrí
  2. cubriste
  3. cubrió
  4. cubrimos
  5. cubristeis
  6. cubrieron
fut. de ind.
  1. cubriré
  2. cubrirás
  3. cubrirá
  4. cubriremos
  5. cubriréis
  6. cubrirán
condic.
  1. cubriría
  2. cubrirías
  3. cubriría
  4. cubriríamos
  5. cubriríais
  6. cubrirían
pres. de subj.
  1. que cubra
  2. que cubras
  3. que cubra
  4. que cubramos
  5. que cubráis
  6. que cubran
imp. de subj.
  1. que cubriera
  2. que cubrieras
  3. que cubriera
  4. que cubriéramos
  5. que cubrierais
  6. que cubrieran
miscelánea
  1. ¡cubre!
  2. ¡cubrid!
  3. ¡no cubras!
  4. ¡no cubráis!
  5. cubierto
  6. cubriendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

cubrir [el ~] nom

  1. el cubrir
    bedekken; beslaan
  2. el cubrir
    indekken

cubrir

  1. cubrir
    bedekken; met iets bestrijken

Synonyms for "cubrir":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for cubrir



Remove Ads

Remove Ads