Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for enseñar from Spanish to Dutch

enseñar:

enseñar verbe

  1. enseñar (demostrar; mostrar; presentar; )
    presenteren; laten zien; tonen; vertonen
    • presenteren verbe (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien verbe (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • tonen verbe (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen verbe (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
  2. enseñar (educar; formar; reanimar)
    onderwijzen; leren; bijbrengen
    • onderwijzen verbe (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
    • leren verbe (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
    • bijbrengen verbe (breng bij, brengt bij, bracht bij, brachten bij, bijgebracht)
  3. enseñar (dar clases; educar; impartir enseñanza; instruir; impartir docencia)
    lesgeven
    • lesgeven verbe (geef les, geeft les, gaf les, gaven les, lesgegeven)
  4. enseñar (dar clases)
    leren; onderwijzen
    • leren verbe (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
    • onderwijzen verbe (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
  5. enseñar (exhibir; mostrar; demostrar; )
    tonen; vertonen; tentoonstellen; exposeren
    • tonen verbe (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen verbe (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
    • tentoonstellen verbe (stel tentoon, stelt tentoon, stelde tentoon, stelden tentoon, tentoongesteld)
    • exposeren verbe (exposeer, exposeert, exposeerde, exposeerden, geëxposeerd)
  6. enseñar (educar; capacitarse para; instruir; formar; prepararse para)
    scholen; opleiden
    • scholen verbe
    • opleiden verbe (leid op, leidt op, leidde op, leidden op, opgeleid)
  7. enseñar (educar; instruir; dar clases)
    inlichten; voorlichten; onderrichten
  8. enseñar (presentar; mostrar; parecer; )
    tonen; voorleggen; presenteren; laten zien; offreren; aanbieden
    • tonen verbe (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • voorleggen verbe (leg voor, legt voor, legde voor, legden voor, voorgelegd)
    • presenteren verbe (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien verbe (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • offreren verbe (offreer, offreert, offreerde, offreerden, geoffreerd)
    • aanbieden verbe (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
  9. enseñar (alzarse; levantarse; hacerse; )
    oprijzen; rijzen
    • oprijzen verbe (rijs op, rijst op, rees op, rezen op, opgerezen)
    • rijzen verbe (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
  10. enseñar (entablarse; subir; ponerse; )
    ontspinnen
    • ontspinnen verbe (ontspin, ontspint, ontspon, ontsponnen, ontsponnen)
  11. enseñar (hacer aparecer; mostrar; demostrar; traer a colación; sacar una cosa)
    laten zien; tevoorschijnhalen; tevoorschijntoveren; voordedaghalen
    • laten zien verbe (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • tevoorschijnhalen verbe (haal tevoorschijn, haalt tevoorschijn, haalde tevoorschijn, haalden tevoorschijn, tevoorschijngehaald)
    • tevoorschijntoveren verbe (tover tevoorschijn, tovert tevoorschijn, toverde tevoorschijn, toverden tevoorschijn, tevoorschijn getoverd)

Conjugations for enseñar:

presente
  1. enseño
  2. enseñas
  3. enseña
  4. enseñamos
  5. enseñáis
  6. enseñan
imperfecto
  1. enseñaba
  2. enseñabas
  3. enseñaba
  4. enseñábamos
  5. enseñabais
  6. enseñaban
indefinido
  1. enseñé
  2. enseñaste
  3. enseñó
  4. enseñamos
  5. enseñasteis
  6. enseñaron
fut. de ind.
  1. enseñaré
  2. enseñarás
  3. enseñará
  4. enseñaremos
  5. enseñaréis
  6. enseñarán
condic.
  1. enseñaría
  2. enseñarías
  3. enseñaría
  4. enseñaríamos
  5. enseñaríais
  6. enseñarían
pres. de subj.
  1. que enseñe
  2. que enseñes
  3. que enseñe
  4. que enseñemos
  5. que enseñéis
  6. que enseñen
imp. de subj.
  1. que enseñara
  2. que enseñaras
  3. que enseñara
  4. que enseñáramos
  5. que enseñarais
  6. que enseñaran
miscelánea
  1. ¡enseña!
  2. ¡enseñad!
  3. ¡no enseñes!
  4. ¡no enseñéis!
  5. enseñado
  6. enseñando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

enseñar [el ~] nom

  1. el enseñar
    aanleren

Synonyms for "enseñar":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads