Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for ponerse from Spanish to Dutch

ponerse:

ponerse verbe

  1. ponerse (volverse; hacerse; pasar a ser; )
    worden
    • worden verbe (word, wordt, werd, werden, geworden)
  2. ponerse (vestirse; vestir)
    aankleden; aantrekken; aandoen
    • aankleden verbe (kleed aan, kleedt aan, kleedde aan, kleedden aan, aangekleed)
    • aantrekken verbe (trek aan, trekt aan, trok aan, trokken aan, aangetrokken)
    • aandoen verbe (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
  3. ponerse (consumir; soportar; sufrir; )
    doorstaan; verdragen; doorleven; verteren; verduren
    • doorstaan verbe (doorsta, doorstaat, doorstond, doorstonden, doorgestaan)
    • verdragen verbe (verdraag, verdraagt, verdroeg, verdroegen, verdragen)
    • doorleven verbe
    • verteren verbe (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
    • verduren verbe (verduur, verduurt, verduurde, verduurden, verduurd)
  4. ponerse
    omdoen
    • omdoen verbe (doe om, doet om, deed om, deden om, omgedaan)
  5. ponerse
    omslaan; om het lijf slaan
  6. ponerse (originarse; empezar; formarse; )
    ontstaan; voortkomen
    • ontstaan verbe (ontsta, ontstaat, ontstond, ontstonden, ontstaan)
    • voortkomen verbe (kom voort, komt voort, kwam voort, kwamen voort, voortgekomen)
  7. ponerse (alzarse; levantarse; hacerse; )
    oprijzen; rijzen
    • oprijzen verbe (rijs op, rijst op, rees op, rezen op, opgerezen)
    • rijzen verbe (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
  8. ponerse (atarse)
    voordoen; voorbinden
    • voordoen verbe (doe voor, doet voor, deed voor, deden voor, voorgedaan)
    • voorbinden verbe (bind voor, bindt voor, bond voor, bonden voor, voorgebonden)
  9. ponerse (entablarse; subir; enseñar; )
    ontspinnen
    • ontspinnen verbe (ontspin, ontspint, ontspon, ontsponnen, ontsponnen)

Conjugations for ponerse:

presente
  1. me pongo
  2. te pones
  3. se pone
  4. nos ponemos
  5. os ponéis
  6. se ponen
imperfecto
  1. me ponía
  2. te ponías
  3. se ponía
  4. nos poníamos
  5. os poníais
  6. se ponían
indefinido
  1. me puse
  2. te pusiste
  3. se puso
  4. nos pusimos
  5. os pusisteis
  6. se pusieron
fut. de ind.
  1. me pondré
  2. te pondrás
  3. se pondrá
  4. nos pondremos
  5. os pondréis
  6. se pondrán
condic.
  1. me pondría
  2. te pondrías
  3. se pondría
  4. nos pondríamos
  5. os pondríais
  6. se pondrían
pres. de subj.
  1. que me ponga
  2. que te pongas
  3. que se ponga
  4. que nos pongamos
  5. que os pongáis
  6. que se pongan
imp. de subj.
  1. que me pusiera
  2. que me pusieras
  3. que me pusiera
  4. que me pusiéramos
  5. que me pusierais
  6. que me pusieran
miscelánea
  1. ¡ponte!
  2. ¡poneos!
  3. ¡no te pongas!
  4. ¡no os pongáis!
  5. puesto
  6. poniéndose
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "ponerse":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for ponerse



Remove Ads

Remove Ads