Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for repasar from Spanish to Dutch

repasar:

repasar verbe

  1. repasar
    doornemen
    • doornemen verbe (neem door, neemt door, nam door, namen door, doorgenomen)
  2. repasar
    doorlezen
    • doorlezen verbe (lees door, leest door, las door, lazen door, doorgelezen)
  3. repasar (ensayar; probar; comprobar; )
    onderzoeken; testen; beproeven; keuren
    • onderzoeken verbe (onderzoek, onderzoekt, onderzocht, onderzochten, onderzocht)
    • testen verbe (test, testte, testten, getest)
    • beproeven verbe (beproef, beproeft, beproefde, beproefden, beproefd)
    • keuren verbe (keur, keurt, keurde, keurden, gekeurd)
  4. repasar (hacer correr la voz; pasar; comunicar; chismorrear)
    doorgeven; doorvertellen; rondvertellen; doorspelen; rondbrieven
    • doorgeven verbe (geef door, geeft door, gaf door, gaven door, doorgegeven)
    • doorvertellen verbe (vertel door, vertelt door, vertelde door, vertelden door, doorverteld)
    • rondvertellen verbe (vertel rond, vertelt rond, vertelde rond, vertelden rond, rondverteld)
    • doorspelen verbe (speel door, speelt door, speelde door, speelden door, doorgespeeld)
    • rondbrieven verbe (brief rond, brieft rond, briefde rond, briefden rond, rondgebriefd)
  5. repasar (practicar; repetido; ejercitarse; )
    oefenen; repeteren
    • oefenen verbe (oefen, oefent, oefende, oefenden, geoefend)
    • repeteren verbe (repeteer, repeteert, repeteerde, repeteerden, gerepeteerd)
  6. repasar (examinar; visitar; pasar revista a; )
    bekijken; inspecteren; bezichtigen
    • bekijken verbe (bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
    • inspecteren verbe (inspecteer, inspecteert, inspecteerde, inspecteerden, geïnspecteerd)
    • bezichtigen verbe (bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
  7. repasar (repetir; reiterar; resonar; repercutir; hacer eco)
    herhalen; nazeggen; napraten; nabouwen; echoën
    • herhalen verbe (herhaal, herhaalt, herhaalde, herhaalden, herhaald)
    • nazeggen verbe (zeg na, zegt na, zegde na, zegden na, nagezegd)
    • napraten verbe (praat na, praatte na, praatten na, nagepraat)
    • nabouwen verbe
    • echoën verbe (echo, echoot, echode, echoden, geëchood)
  8. repasar (ensayar; repetir)
    herhalen; oefenen; repeteren
    • herhalen verbe (herhaal, herhaalt, herhaalde, herhaalden, herhaald)
    • oefenen verbe (oefen, oefent, oefende, oefenden, geoefend)
    • repeteren verbe (repeteer, repeteert, repeteerde, repeteerden, gerepeteerd)
  9. repasar (leer otra vez; leer; releer; volver a leer)
    nalezen; opnieuw lezen; overlezen
    • nalezen verbe (lees na, leest na, las na, lazen na, nagelezen)
    • overlezen verbe (overlees, overleest, overlas, overlazen, overlezen)

Conjugations for repasar:

presente
  1. repaso
  2. repasas
  3. repasa
  4. repasamos
  5. repasáis
  6. repasan
imperfecto
  1. repasaba
  2. repasabas
  3. repasaba
  4. repasábamos
  5. repasabais
  6. repasaban
indefinido
  1. repasé
  2. repasaste
  3. repasó
  4. repasamos
  5. repasasteis
  6. repasaron
fut. de ind.
  1. repasaré
  2. repasarás
  3. repasará
  4. repasaremos
  5. repasaréis
  6. repasarán
condic.
  1. repasaría
  2. repasarías
  3. repasaría
  4. repasaríamos
  5. repasaríais
  6. repasarían
pres. de subj.
  1. que repase
  2. que repases
  3. que repase
  4. que repasemos
  5. que repaséis
  6. que repasen
imp. de subj.
  1. que repasara
  2. que repasaras
  3. que repasara
  4. que repasáramos
  5. que repasarais
  6. que repasaran
miscelánea
  1. ¡repasa!
  2. ¡repasad!
  3. ¡no repases!
  4. ¡no repaséis!
  5. repasado
  6. repasando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "repasar":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for repasar



Remove Ads

Remove Ads