Detailed Translations for visitar from Spanish to Dutch
visitar:
-
bezoeken;
langskomen;
voorbijkomen;
op bezoek komen;
opzoeken;
inlopen;
aankomen
-
bezoeken
verbe
(bezoek, bezoekt, bezocht, bezochten, bezocht)
-
langskomen
verbe
(kom langs, komt langs, kwam langs, kwamen langs, langsgekomen)
-
voorbijkomen
verbe
(kom voorbij, komt voorbij, kwam voorbij, kwamen voorbij, voorbij gekomen)
-
-
opzoeken
verbe
(zoek op, zoekt op, zocht op, zochten op, opgezocht)
-
inlopen
verbe
(loop in, loopt in, liep in, liepen in, ingelopen)
-
aankomen
verbe
(kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
-
bezoeken;
langskomen;
voorbijkomen;
iemand opzoeken;
op visite gaan;
langsgaan;
aankomen
-
bezoeken
verbe
(bezoek, bezoekt, bezocht, bezochten, bezocht)
-
langskomen
verbe
(kom langs, komt langs, kwam langs, kwamen langs, langsgekomen)
-
voorbijkomen
verbe
(kom voorbij, komt voorbij, kwam voorbij, kwamen voorbij, voorbij gekomen)
-
-
-
langsgaan
verbe
(ga langs, gaat langs, ging langs, gingen langs, langsgegaan)
-
aankomen
verbe
(kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
-
visitar
bezichtigen;
bekijken;
aanschouwen;
bezien
-
bezichtigen
verbe
(bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
-
bekijken
verbe
(bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
-
aanschouwen
verbe
(aanschouw, aanschouwt, aanschouwde, aanschouwden, aanschouwen)
-
bezien
verbe
(bezie, beziet, bezag, bezagen, bezien)
-
bekijken;
inspecteren;
bezichtigen
-
bekijken
verbe
(bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
-
inspecteren
verbe
(inspecteer, inspecteert, inspecteerde, inspecteerden, geïnspecteerd)
-
bezichtigen
verbe
(bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
Conjugations for visitar:
presente
- visito
- visitas
- visita
- visitamos
- visitáis
- visitan
imperfecto
- visitaba
- visitabas
- visitaba
- visitábamos
- visitabais
- visitaban
indefinido
- visité
- visitaste
- visitó
- visitamos
- visitasteis
- visitaron
fut. de ind.
- visitaré
- visitarás
- visitará
- visitaremos
- visitaréis
- visitarán
condic.
- visitaría
- visitarías
- visitaría
- visitaríamos
- visitaríais
- visitarían
pres. de subj.
- que visite
- que visites
- que visite
- que visitemos
- que visitéis
- que visiten
imp. de subj.
- que visitara
- que visitaras
- que visitara
- que visitáramos
- que visitarais
- que visitaran
miscelánea
- ¡visita!
- ¡visitad!
- ¡no visites!
- ¡no visitéis!
- visitado
- visitando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes
Synonyms for "visitar":
External Machine Translations:
Images:
Related Translations for visitar