Remove Ads

French

Detailed Translations for activer from French to Dutch

activer:

activer verbe

  1. activer (animer; stimuler)
    activeren
    • activeren verbe (activeer, activeert, activeerde, activeerden, geactiveerd)
  2. activer
  3. activer (introduire; envoyer; commencer à; )
    voorstellen; introduceren; kennis laten maken
  4. activer (commencer; commencer à; démarrer; )
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten verbe (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen verbe (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  5. activer (accélérer; précipiter; presser; hâter; brusquer)
    versnellen; bespoedigen; accelereren; verhaasten
    • versnellen verbe (versnel, versnelt, versnelde, versnelden, versneld)
    • bespoedigen verbe (bespoedig, bespoedigt, bespoedigde, bespoedigden, bespoedigd)
    • accelereren verbe (accelereer, accelereert, accelereerde, accelereerden, geaccelereerd)
    • verhaasten verbe (verhaast, verhaastte, verhaastten, verhaast)
  6. activer (stimuler; animer; encourager; )
    stimuleren; aanzetten; aansporen; animeren
    • stimuleren verbe (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • aanzetten verbe (zet aan, zette aan, zetten aan, aangezet)
    • aansporen verbe (spoor aan, spoort aan, spoorde aan, spoorden aan, aangespoord)
    • animeren verbe (animeer, animeert, animeerde, animeerden, geanimeerd)
  7. activer (exhorter; inciter; éperonner; )
    aansporen; aanjagen; opjutten; porren
    • aansporen verbe (spoor aan, spoort aan, spoorde aan, spoorden aan, aangespoord)
    • aanjagen verbe (jaag aan, jaagt aan, joeg aan, joegen aan, aangejaagd)
    • opjutten verbe (jut op, jutte op, jutten op, opgejut)
    • porren verbe (por, port, porde, porden, gepord)
  8. activer (attiser; stimuler; souffler sur; )
    aanwakkeren; aanblazen; doen opvlammen
    • aanwakkeren verbe (wakker aan, wakkert aan, wakkerde aan, wakkerden aan, aangewakkerd)
    • aanblazen verbe (blaas aan, blaast aan, blies aan, bliezen aan, aangeblazen)
  9. activer (exciter à; attiser)
    opstoken; oppoken; aanstoken
    • opstoken verbe (stook op, stookt op, stookte op, stookten op, opgestookt)
    • oppoken verbe (pook op, pookt op, pookte op, pookten op, opgepookt)
    • aanstoken verbe (stook aan, stookt aan, stookte aan, stookten aan, aangestookt)
  10. activer (stimuler; enflammer; vivifier; raviver; animer)
    aanmoedigen; activeren; opwekken; oppeppen; stimuleren; bezielen
    • aanmoedigen verbe (moedig aan, moedigt aan, moedigde aan, moedigden aan, aangemoedigd)
    • activeren verbe (activeer, activeert, activeerde, activeerden, geactiveerd)
    • opwekken verbe (wek op, wekt op, wekte op, wekten op, opgewekt)
    • oppeppen verbe (pep op, pept op, pepte op, pepten op, opgepept)
    • stimuleren verbe (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • bezielen verbe (beziel, bezielt, bezielde, bezielden, bezield)
  11. activer (attiser; aviver; énerver; )
    stoken; opstoken; poken; aanblazen; aanstoken; oppoken; aanwakkeren
    • stoken verbe (stook, stookt, stookte, stookten, gestookt)
    • opstoken verbe (stook op, stookt op, stookte op, stookten op, opgestookt)
    • poken verbe
    • aanblazen verbe (blaas aan, blaast aan, blies aan, bliezen aan, aangeblazen)
    • aanstoken verbe (stook aan, stookt aan, stookte aan, stookten aan, aangestookt)
    • oppoken verbe (pook op, pookt op, pookte op, pookten op, opgepookt)
    • aanwakkeren verbe (wakker aan, wakkert aan, wakkerde aan, wakkerden aan, aangewakkerd)
  12. activer (inciter à; provoquer; stimuler; )
    aanzetten tot; provoceren; instigeren
    • provoceren verbe (provoceer, provoceert, provoceerde, provoceerden, geprovoceerd)
    • instigeren verbe (instigeer, instigeert, instigeerde, instigeerden, geïnstigeerd)
  13. activer (motiver; encourager; stimuler; )
    stimuleren; aanmoedigen; prikkelen; iemand motiveren
    • stimuleren verbe (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • aanmoedigen verbe (moedig aan, moedigt aan, moedigde aan, moedigden aan, aangemoedigd)
    • prikkelen verbe (prikkel, prikkelt, prikkelde, prikkelden, geprikkeld)
  14. activer (inciter; motiver; encourager; )
    motiveren
    • motiveren verbe (motiveer, motiveert, motiveerde, motiveerden, gemotiveerd)
  15. activer (attiser; ranimer; inciter; )
    aanwakkeren; oppoken; opporren
    • aanwakkeren verbe (wakker aan, wakkert aan, wakkerde aan, wakkerden aan, aangewakkerd)
    • oppoken verbe (pook op, pookt op, pookte op, pookten op, opgepookt)
    • opporren verbe (por op, port op, porde op, porden op, opgepord)
  16. activer (encourager; inciter; applaudir; )
    aanmoedigen; aanvuren; toemoedigen; bemoedigen; stimuleren
    • aanmoedigen verbe (moedig aan, moedigt aan, moedigde aan, moedigden aan, aangemoedigd)
    • aanvuren verbe (vuur aan, vuurt aan, vuurde aan, vuurden aan, aangevuurd)
    • toemoedigen verbe (moedig toe, moedigt toe, moedigde toe, moedigden toe, toegemoedigd)
    • bemoedigen verbe (bemoedig, bemoedigt, bemoedigde, bemoedigden, bemoedigd)
    • stimuleren verbe (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)

Conjugations for activer:

Présent
  1. active
  2. actives
  3. active
  4. activons
  5. activez
  6. activent
imparfait
  1. activais
  2. activais
  3. activait
  4. activions
  5. activiez
  6. activaient
passé simple
  1. activai
  2. activas
  3. activa
  4. activâmes
  5. activâtes
  6. activèrent
futur simple
  1. activerai
  2. activeras
  3. activera
  4. activerons
  5. activerez
  6. activeront
subjonctif présent
  1. que j'active
  2. que tu actives
  3. qu'il active
  4. que nous activions
  5. que vous activiez
  6. qu'ils activent
conditionnel présent
  1. activerais
  2. activerais
  3. activerait
  4. activerions
  5. activeriez
  6. activeraient
passé composé
  1. ai activé
  2. as activé
  3. a activé
  4. avons activé
  5. avez activé
  6. ont activé
divers
  1. active!
  2. activez!
  3. activons!
  4. activé
  5. activant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

activer

  1. activer
    inschakelen
    • inschakelen verbe (schakel in, schakelt in, schakelde in, schakelden in, ingeschakeld)

Synonyms for "activer":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for activer



Remove Ads

Remove Ads