Remove Ads

French

Detailed Translations for défaire from French to Dutch

défaire:

défaire verbe

  1. défaire (s'en aller; partir; abandonner; )
    gaan; vertrekken; weggaan; heengaan; opstappen; opbreken
    • gaan verbe (ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
    • vertrekken verbe (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • weggaan verbe (ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
    • heengaan verbe (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • opstappen verbe (stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
    • opbreken verbe (breek op, breekt op, brak op, braken op, opgebroken)
  2. défaire (dissoudre; démonter; tomber en morceaux; )
    uiteenvallen; desintegreren; uit elkaar vallen
    • uiteenvallen verbe (val uiteen, valt uiteen, viel uiteen, vielen uiteen, uiteengevallen)
    • uit elkaar vallen verbe (val uit elkaar, valt uit elkaar, viel uit elkaar, vielen uit elkaar, uit elkaar gevallen)
  3. défaire (défaire les boutons; dénouer; ouvrir; déboutonner)
    ontknopen; losknopen
    • ontknopen verbe (ontknoop, ontknoopt, ontknoopte, ontknoopten, ontknoopt)
    • losknopen verbe (knoop los, knoopt los, knoopte los, knoopten los, losgeknoopt)
  4. défaire (détacher; dégager; libérer; dénouer; ouvrir)
    losmaken; scheiden; loskrijgen; detacheren; loswerken
    • losmaken verbe (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • scheiden verbe (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • loskrijgen verbe (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
    • detacheren verbe (detacheer, detacheert, detacheerde, detacheerden, gedetacheerd)
    • loswerken verbe
  5. défaire (démolir; détruire; démonter; )
    afbreken; slopen; omverhalen; uit elkaar halen; breken; neerhalen
    • afbreken verbe (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • slopen verbe (sloop, sloopt, sloopte, sloopten, gesloopt)
    • omverhalen verbe (haal omver, haalt omver, haalde omver, haalden omver, omver gehaald)
    • uit elkaar halen verbe (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • breken verbe (breek, breekt, brak, braken, gebroken)
    • neerhalen verbe (haal neer, haalt neer, haalde neer, haalden neer, neergehaald)
  6. défaire (déconnecter; décrocher; détacher; débrancher)
    afkoppelen
    • afkoppelen verbe (koppel af, koppelt af, koppelde af, koppelden af, afgekoppeld)
  7. défaire (découdre; dégager; détacher; )
    losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen
    • losmaken verbe (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • uittrekken verbe (trek uit, trekt uit, trok uit, trokken uit, uitgetrokken)
    • uithalen verbe (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • lostornen verbe (torn los, tornt los, tornde los, tornden los, losgetornd)
    • tornen verbe (torn, tornt, tornde, tornden, getornd)
    • loskrijgen verbe (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
  8. défaire (dévisser)
    openschroeven
    • openschroeven verbe (schroef open, schroeft open, schroefde open, schroefden open, opengeschroefd)
  9. défaire (abandonner; détacher; être éliminé; )
    opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    • opgeven verbe (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • stoppen verbe (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • afhaken verbe (haak af, haakt af, haakte af, haakten af, afgehaakt)
    • ophouden verbe (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • afzien van verbe
    • afvallen verbe (val af, valt af, viel af, vielen af, afgevallen)
    • eruitstappen verbe
    • afzeggen verbe (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)

Conjugations for défaire:

Présent
  1. défais
  2. défais
  3. défait
  4. défaisons
  5. défaites
  6. défont
imparfait
  1. défaisais
  2. défaisais
  3. défaisait
  4. défaisions
  5. défaisiez
  6. défaisaient
passé simple
  1. défis
  2. défis
  3. défit
  4. défîmes
  5. défîtes
  6. défirent
futur simple
  1. déferai
  2. déferas
  3. défera
  4. déferons
  5. déferez
  6. déferont
subjonctif présent
  1. que je défasse
  2. que tu défasses
  3. qu'il défasse
  4. que nous défassions
  5. que vous défassiez
  6. qu'ils défassent
conditionnel présent
  1. déferais
  2. déferais
  3. déferait
  4. déferions
  5. déferiez
  6. déferaient
passé composé
  1. ai défait
  2. as défait
  3. a défait
  4. avons défait
  5. avez défait
  6. ont défait
divers
  1. défais!
  2. défaisez!
  3. défaisons!
  4. défait
  5. défaisant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "défaire":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for défaire



Remove Ads

Remove Ads