Remove Ads

French

Detailed Translations for entamer from French to Dutch

entamer:

entamer verbe

  1. entamer (commencer; commencer à; démarrer; )
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten verbe (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen verbe (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  2. entamer (couper; cisailler; mordre; tailler)
    snijden; afsnijden
    • snijden verbe (snijd, snijdt, sneed, sneden, gesneden)
    • afsnijden verbe (snijd af, snijdt af, sneed af, sneden af, afgesneden)
  3. entamer (entamer la conversation; ouvrir; aborder; )
    ter sprake brengen; aansnijden; starten; entameren; openen; opwerpen; gesprek aanknopen; te berde brengen; aankaarten; aanknopen
    • ter sprake brengen verbe (breng ter sprake, brengt ter sprake, bracht ter sprake, brachten ter sprake, tersprake gebracht)
    • aansnijden verbe (snijd aan, snijdt aan, sneed aan, sneden aan, aangesneden)
    • starten verbe (start, startte, startten, gestart)
    • entameren verbe
    • openen verbe (open, opent, opende, openden, geopend)
    • opwerpen verbe (werp op, werpt op, werpte op, werpten op, opgeworpen)
    • te berde brengen verbe (breng te berde, brengt te berde, bracht te berde, brachten te berde, bracht te berde)
    • aankaarten verbe (kaart aan, kaartte aan, kaartten aan, aangekaart)
    • aanknopen verbe (knoop aan, knoopt aan, knoopte aan, knoopten aan, aangeknoopt)
  4. entamer (émettre l'opinion; proposer; postuler; )
    stellen; poneren; naar voren brengen; opperen
    • stellen verbe (stel, stelt, stelde, stelden, gesteld)
    • poneren verbe (poneer, poneert, poneerde, poneerden, geponeerd)
    • naar voren brengen verbe (breng naar voren, brengt naar voren, bracht naar voren, brachten naar voren, naar voren gebracht)
    • opperen verbe (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)
  5. entamer (entreprendre; engager; commencer; )
    ondernemen; aangaan
    • ondernemen verbe (onderneem, onderneemt, ondernam, ondernamen, ondernomen)
    • aangaan verbe (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
  6. entamer
    aankaarten; ter sprake brengen; aansnijden; op tafel leggen
    • aankaarten verbe (kaart aan, kaartte aan, kaartten aan, aangekaart)
    • ter sprake brengen verbe (breng ter sprake, brengt ter sprake, bracht ter sprake, brachten ter sprake, tersprake gebracht)
    • aansnijden verbe (snijd aan, snijdt aan, sneed aan, sneden aan, aangesneden)
  7. entamer (accueillir; recevoir; prendre; )
    ontvangen; accepteren; aannemen; aanvaarden; in ontvangst nemen
    • ontvangen verbe (ontvang, ontvangt, ontving, ontvingen, ontvangen)
    • accepteren verbe (accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
    • aannemen verbe (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • aanvaarden verbe (aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
    • in ontvangst nemen verbe (neem in ontvangst, neemt in ontvangst, nam in ontvangst, namen in ontvangst, in ontvangst genomen)
  8. entamer (commencer; démarrer; débuter)
    beginnen; aanknopen; aanbinden
    • beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanknopen verbe (knoop aan, knoopt aan, knoopte aan, knoopten aan, aangeknoopt)
    • aanbinden verbe (bind aan, bindt aan, bond aan, bonden aan, aangebonden)
  9. entamer (débuter; ouvrir; commencer; )
    beginnen; aanbreken; een begin nemen
  10. entamer (suggérer; proposer; lancer; avancer; soulever)
    suggereren; naar voren brengen; opperen
    • suggereren verbe (suggereer, suggereert, suggereerde, suggereerden, gesuggereerd)
    • naar voren brengen verbe (breng naar voren, brengt naar voren, bracht naar voren, brachten naar voren, naar voren gebracht)
    • opperen verbe (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)
  11. entamer (mettre sur la table; alléguer; soulever; )
    ter sprake brengen; aanvoeren; entameren; aansnijden; opwerpen; aankaarten; te berde brengen; op tafel leggen; opperen
    • ter sprake brengen verbe (breng ter sprake, brengt ter sprake, bracht ter sprake, brachten ter sprake, tersprake gebracht)
    • aanvoeren verbe (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • entameren verbe
    • aansnijden verbe (snijd aan, snijdt aan, sneed aan, sneden aan, aangesneden)
    • opwerpen verbe (werp op, werpt op, werpte op, werpten op, opgeworpen)
    • aankaarten verbe (kaart aan, kaartte aan, kaartten aan, aangekaart)
    • te berde brengen verbe (breng te berde, brengt te berde, bracht te berde, brachten te berde, bracht te berde)
    • opperen verbe (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)

Conjugations for entamer:

Présent
  1. entame
  2. entames
  3. entame
  4. entamons
  5. entamez
  6. entament
imparfait
  1. entamais
  2. entamais
  3. entamait
  4. entamions
  5. entamiez
  6. entamaient
passé simple
  1. entamai
  2. entamas
  3. entama
  4. entamâmes
  5. entamâtes
  6. entamèrent
futur simple
  1. entamerai
  2. entameras
  3. entamera
  4. entamerons
  5. entamerez
  6. entameront
subjonctif présent
  1. que j'entame
  2. que tu entames
  3. qu'il entame
  4. que nous entamions
  5. que vous entamiez
  6. qu'ils entament
conditionnel présent
  1. entamerais
  2. entamerais
  3. entamerait
  4. entamerions
  5. entameriez
  6. entameraient
passé composé
  1. ai entamé
  2. as entamé
  3. a entamé
  4. avons entamé
  5. avez entamé
  6. ont entamé
divers
  1. entame!
  2. entamez!
  3. entamons!
  4. entamé
  5. entamant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "entamer":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for entamer



Remove Ads

Remove Ads