Remove Ads

French

Detailed Translations for manquer from French to Dutch

manquer:

manquer verbe

  1. manquer (ne pas retrouver; perdre)
    missen; vermissen
  2. manquer (être absent; faire défaut)
    ontbreken; mankeren; verzuimen; afwezig zijn
    • ontbreken verbe (ontbreek, ontbreekt, ontbrak, ontbraken, ontbroken)
    • mankeren verbe (mankeer, mankeert, mankeerde, mankeerden, gemankeerd)
    • verzuimen verbe (verzuim, verzuimt, verzuimde, verzuimden, verzuimd)
    • afwezig zijn verbe (ben afwezig, bent afwezig, is afwezig, was afwezig, waren afwezig, afwezig geweest)
  3. manquer (s'égarer; perdre; se perdre)
    verliezen; kwijtraken; wegraken; erbij inschieten; verloren gaan
    • verliezen verbe (verlies, verliest, verloor, verloren, verloren)
    • kwijtraken verbe (raak kwijt, raakt kwijt, raakte kwijt, raakten kwijt, kwijt geraakt)
    • wegraken verbe (raak weg, raakt weg, raakte weg, raakten weg, weggeraakt)
    • verloren gaan verbe (ga verloren, gaat verloren, ging verloren, gingen verloren, verloren gegaan)
  4. manquer (chuter; faillir; échouer; )
    falen; verkeerd lopen; mislukken; misgaan; in de puree lopen; floppen; afgaan; mislopen; stranden
    • falen verbe (faal, faalt, faalde, faalden, gefaald)
    • verkeerd lopen verbe (loop verkeerd, loopt verkeerd, liep verkeerd, liepen verkeerd, verkeerd gelopen)
    • mislukken verbe (misluk, mislukt, mislukte, mislukten, mislukt)
    • misgaan verbe (ga mis, gaat mis, ging mis, gingen mis, mis gegaan)
    • floppen verbe (flop, flopt, flopte, flopten, geflopt)
    • afgaan verbe (ga af, gaat af, ging af, gingen af, afgegaan)
    • mislopen verbe (loop mis, loopt mis, liep mis, liepen mis, misgelopen)
    • stranden verbe (strand, strandt, strandde, strandden, gestrand)
  5. manquer (être privé de)
    ontberen
    • ontberen verbe (ontbeer, ontbeert, ontbeerde, ontbeerden, ontbeerd)
  6. manquer (s'échapper)
  7. manquer (négliger; omettre; renier)
    verzuimen; verzaken
    • verzuimen verbe (verzuim, verzuimt, verzuimde, verzuimden, verzuimd)
    • verzaken verbe (verzaak, verzaakt, verzaakte, verzaakten, verzaakt)
  8. manquer (être privé de; être passé de)
    gebrek hebben
    • gebrek hebben verbe (heb gebrek, hebt gebrek, heeft gebrek, had gebrek, hadden gebrek, gebrek gehad)
  9. manquer (serrer; coincer; presser; )
    knellen; strak zitten
    • knellen verbe (knel, knelt, knelde, knelden, gekneld)
    • strak zitten verbe (zit strak, zat strak, zaten strak, strak gezeten)

Conjugations for manquer:

Présent
  1. manque
  2. manques
  3. manque
  4. manquons
  5. manquez
  6. manquent
imparfait
  1. manquais
  2. manquais
  3. manquait
  4. manquions
  5. manquiez
  6. manquaient
passé simple
  1. manquai
  2. manquas
  3. manqua
  4. manquâmes
  5. manquâtes
  6. manquèrent
futur simple
  1. manquerai
  2. manqueras
  3. manquera
  4. manquerons
  5. manquerez
  6. manqueront
subjonctif présent
  1. que je manque
  2. que tu manques
  3. qu'il manque
  4. que nous manquions
  5. que vous manquiez
  6. qu'ils manquent
conditionnel présent
  1. manquerais
  2. manquerais
  3. manquerait
  4. manquerions
  5. manqueriez
  6. manqueraient
passé composé
  1. ai manqué
  2. as manqué
  3. a manqué
  4. avons manqué
  5. avez manqué
  6. ont manqué
divers
  1. manque!
  2. manquez!
  3. manquons!
  4. manqué
  5. manquant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "manquer":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for manquer



Remove Ads

Remove Ads