Remove Ads

French

Detailed Translations for prendre from French to Dutch

prendre:

prendre verbe

  1. prendre
    nemen
    – het grijpen of tevoorschijn halen 1
    • nemen verbe (neem, neemt, nam, namen, genomen)
      • neem maar een koekje hoor!1
    pakken
    • pakken verbe (pak, pakt, pakte, pakten, gepakt)
  2. prendre (aller chercher; emporter; enlever; )
    ophalen; meenemen; afnemen; afhalen; wegnemen; weghalen
    • ophalen verbe (haal op, haalt op, haalde op, haalden op, opgehaald)
    • meenemen verbe (neem mee, neemt mee, nam mee, namen mee, meegenomen)
    • afnemen verbe (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • afhalen verbe (haal af, haalt af, haalde af, haalden af, afgehaald)
    • wegnemen verbe (neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
    • weghalen verbe (haal weg, haalt weg, haalde weg, haalden weg, weggehaald)
  3. prendre (saisir; entendre; attraper; )
    grijpen; pakken; vangen; verstrikken; vatten; klauwen
    • grijpen verbe (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • pakken verbe (pak, pakt, pakte, pakten, gepakt)
    • vangen verbe (vang, vangt, ving, vingen, gevangen)
    • verstrikken verbe (verstrik, verstrikt, verstrikte, verstrikten, verstrikt)
    • vatten verbe (vat, vatte, vatten, gevat)
    • klauwen verbe (klauw, klauwt, klauwde, klauwden, geklauwd)
  4. prendre (se servir de; user; utiliser; )
    gebruiken; hanteren; gebruik maken van; bezigen
    • gebruiken verbe (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • hanteren verbe (hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
    • gebruik maken van verbe (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • bezigen verbe (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  5. prendre (accueillir; recevoir; accepter; )
    ontvangen; accepteren; aannemen; aanvaarden; in ontvangst nemen
    • ontvangen verbe (ontvang, ontvangt, ontving, ontvingen, ontvangen)
    • accepteren verbe (accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
    • aannemen verbe (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • aanvaarden verbe (aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
    • in ontvangst nemen verbe (neem in ontvangst, neemt in ontvangst, nam in ontvangst, namen in ontvangst, in ontvangst genomen)
  6. prendre (commencer; commencer à; démarrer; )
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten verbe (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen verbe (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  7. prendre (aller chercher; venir chercher; ramasser; aller prendre; chercher)
    ophalen; afhalen en meenemen; oppikken
  8. prendre (saisir; attraper; se cramponner à; )
    grijpen; vastpakken; aanklampen; beetpakken; vastklampen; beetgrijpen
    • grijpen verbe (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • vastpakken verbe (pak vast, pakt vast, pakte vast, pakten vast, vastgepakt)
    • aanklampen verbe (klamp aan, klampt aan, klampte aan, klampten aan, aangeklampt)
    • beetpakken verbe (pak beet, pakt beet, pakte beet, pakten beet, beetgepakt)
    • vastklampen verbe (klamp vast, klampt vast, klampte vast, klampten vast, vastgeklampt)
    • beetgrijpen verbe
  9. prendre (s'emparer de; obtenir; recevoir; )
    verkrijgen; verwerven; iets bemachtigen; kopen; eigen maken
  10. prendre (absorber; incorporer; assimiler; )
    opnemen; absorberen; opslorpen; opslurpen
    • opnemen verbe (neem op, neemt op, nam op, namen op, opgenomen)
    • absorberen verbe (absorbeer, absorbeert, absorbeerde, absorbeerden, geabsorbeerd)
    • opslorpen verbe (slorp op, slorpt op, slorpte op, slorpten op, opgeslorpt)
    • opslurpen verbe (slurp op, slurpt op, slurpte op, slurpten op, opgeslurpt)
  11. prendre (sélectionner; choisir; élire; préférer; opter pour)
    kiezen; selecteren; uitzoeken; uitkiezen; uitpikken; selectie toepassen; schiften; ziften
    • kiezen verbe (kies, kiest, koos, kozen, gekozen)
    • selecteren verbe (selecteer, selecteert, selecteerde, selecteerden, geselecteerd)
    • uitzoeken verbe (zoek uit, zoekt uit, zocht uit, zochten uit, uitgezocht)
    • uitkiezen verbe (kies uit, kiest uit, koos uit, kozen uit, uitgekozen)
    • uitpikken verbe (pik uit, pikt uit, pikte uit, pikten uit, uitgepikt)
    • selectie toepassen verbe (pas selectie toe, past selectie toe, paste selectie toe, pasten selectie toe, selectie toegepast)
    • schiften verbe (schift, schiftte, schiftten, geschift)
    • ziften verbe (zift, ziftte, ziftten, gezift)
  12. prendre (entreprendre; engager; commencer; )
    ondernemen; aangaan
    • ondernemen verbe (onderneem, onderneemt, ondernam, ondernamen, ondernomen)
    • aangaan verbe (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
  13. prendre (voler; enlever; chiper; )
    stelen; pikken; verdonkeremanen; ontnemen; toeëigenen; snaaien; gappen; kapen; inpikken; roven; ontfutselen; jatten; ontvreemden; wegpikken; wegnemen; plunderen; wegkapen; benemen; achteroverdrukken; afnemen; vervreemden; verduisteren; verdonkeren; wegpakken; leegstelen
    • stelen verbe (steel, steelt, stal, stalen, gestolen)
    • pikken verbe (pik, pikt, pikte, pikten, gepikt)
    • verdonkeremanen verbe (verdonkeremaan, verdonkeremaant, verdonkeremaande, verdonkeremaanden, verdonkeremaand)
    • ontnemen verbe (ontneem, ontneemt, ontnam, ontnomen, ontnomen)
    • toeëigenen verbe (eigen toe, eigent toe, eigende toe, eigenden toe, toegeeigend)
    • snaaien verbe (snaai, snaait, snaaide, snaaiden, gesnaaid)
    • gappen verbe (gap, gapt, gapte, gapten, gegapt)
    • kapen verbe (kaap, kaapt, kaapte, kaapten, gekaapt)
    • inpikken verbe (pik in, pikt in, pikte in, pikten in, ingepikt)
    • roven verbe (roof, rooft, roofde, roofden, geroofd)
    • ontfutselen verbe (ontfrutsel, ontfrutselt, ontfrutselde, ontfrutselden, ontfrutseld)
    • jatten verbe (jat, jatte, jatten, gejat)
    • ontvreemden verbe (ontvreemd, ontvreemdt, ontvreemdde, ontvreemdden, ontvreemd)
    • wegpikken verbe (pik weg, pikt weg, pikte weg, pikten weg, weggepikt)
    • wegnemen verbe (neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
    • plunderen verbe (plunder, plundert, plunderde, plunderden, geplunderd)
    • wegkapen verbe (kaap weg, kaapt weg, kaapte weg, kaapten weg, weggekaapt)
    • benemen verbe (beneem, beneemt, benam, benamen, benomen)
    • achteroverdrukken verbe (druk achterover, drukt achterover, drukte achterover, drukten achterover, achterovergedrukt)
    • afnemen verbe (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • vervreemden verbe (vervreemd, vervreemdt, vervreemdde, vervreemdden, vervreemd)
    • verduisteren verbe (verduister, verduistert, verduisterde, verduisterden, verduisterd)
    • verdonkeren verbe (verdonker, verdonkert, verdonkerde, verdonkerden, verdonkerd)
    • wegpakken verbe (pak weg, pakt weg, pakte weg, pakten weg, weggepakt)
    • leegstelen verbe (steel leeg, steelt leeg, stal leeg, stalen leeg, leeggestolen)
  14. prendre (ramasser; recueillir; cueillir; amasser)
    oprapen; oppikken; opsnappen; oppakken
    • oprapen verbe (raap op, raapt op, raapte op, raapten op, opgeraapt)
    • oppikken verbe (pik op, pikt op, pikte op, pikten op, opgepikt)
    • opsnappen verbe (snap op, snapt op, snapte op, snapten op, opgesnapt)
    • oppakken verbe (pak op, pakt op, pakte op, pakten op, opgepakt)
  15. prendre (rendre inaccesible; occuper)
    bezetten; ontoegankelijk maken
  16. prendre (conquérir; occuper; faire la conquête de; s'emparer de)
    veroveren
    • veroveren verbe (verover, verovert, veroverde, veroverden, veroverd)
  17. prendre (souffler; piquer; chiper; attraper; barboter)
    grissen; grijpen; jatten; snaaien; pikken; wegkapen; graaien
    • grissen verbe (gris, grist, grisde, grisden, gegrist)
    • grijpen verbe (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • jatten verbe (jat, jatte, jatten, gejat)
    • snaaien verbe (snaai, snaait, snaaide, snaaiden, gesnaaid)
    • pikken verbe (pik, pikt, pikte, pikten, gepikt)
    • wegkapen verbe (kaap weg, kaapt weg, kaapte weg, kaapten weg, weggekaapt)
    • graaien verbe (graai, graait, graaide, graaiden, gegraaid)
  18. prendre (empoigner; saisir; attraper; s'accrocher à)
    grijpen; beetgrijpen; vastgrijpen; beetnemen; beetpakken; aanpakken; vatten; vastpakken; vastnemen
    • grijpen verbe (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • beetgrijpen verbe
    • vastgrijpen verbe (grijp vast, grijpt vast, greep vast, grepen vast, vastgegrepen)
    • beetnemen verbe (neem beet, neemt beet, nam beet, namen beet, beetgenomen)
    • beetpakken verbe (pak beet, pakt beet, pakte beet, pakten beet, beetgepakt)
    • aanpakken verbe (pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
    • vatten verbe (vat, vatte, vatten, gevat)
    • vastpakken verbe (pak vast, pakt vast, pakte vast, pakten vast, vastgepakt)
    • vastnemen verbe (neem vast, neemt vast, nam vast, namen vast, vastgenomen)
  19. prendre (arrêter; enchaîner; saisir; écrouer; mettre en état d'arrestation)
    aanhouden; arresteren; gevangennemen; oppakken; inrekenen
    • aanhouden verbe (houd aan, houdt aan, hield aan, hielden aan, aangehouden)
    • arresteren verbe (arresteer, arresteert, arresteerde, arresteerden, gearresteerd)
    • oppakken verbe (pak op, pakt op, pakte op, pakten op, opgepakt)
    • inrekenen verbe (reken in, rekent in, rekende in, rekenden in, ingerekend)
  20. prendre (enchaîner; lier; saisir; )
    boeien; ketenen; binden; kluisteren
    • boeien verbe (boei, boeit, boeide, boeiden, geboeid)
    • ketenen verbe (keten, ketent, ketende, ketenden, geketend)
    • binden verbe (bind, bindt, bond, bonden, gebonden)
    • kluisteren verbe (kluister, kluistert, kluisterde, kluisterden, gekluisterd)
  21. prendre (capturer; attraper)
    buitmaken; vangen
    • buitmaken verbe (maak buit, maakt buit, maakte buit, maakten buit, buitgemaakt)
    • vangen verbe (vang, vangt, ving, vingen, gevangen)
  22. prendre (accepter un cadeau; accepter; adopter)
    aannemen; aanvaarden; accepteren; cadeau aannemen
    • aannemen verbe (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • aanvaarden verbe (aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
    • accepteren verbe (accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
  23. prendre (se servir; saisir)
    toegrijpen; zich bedienen; grijpen; ingrijpen; toetasten; aanpakken
    • toegrijpen verbe (grijp toe, grijpt toe, greep toe, grepen toe, toegegrepen)
    • grijpen verbe (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • ingrijpen verbe (grijp in, grijpt in, greep in, grepen in, ingegrepen)
    • toetasten verbe (tast toe, tastte toe, tastten toe, toegetast)
    • aanpakken verbe (pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
  24. prendre (s'emparer de; obtenir; recevoir; )
    verkrijgen; te pakken krijgen; iets bemachtigen
  25. prendre (saisir)
    bevangen
    • bevangen verbe (bevang, bevangt, beving, bevingen, bevangen)
  26. prendre (fasciner; captiver; saisir; )
    intrigeren; fascineren; boeien
    • intrigeren verbe (intrigeer, intrigeert, intrigeerde, intrigeerden, geïntrigeerd)
    • fascineren verbe (fascineer, fascineert, fascineerde, fascineerden, gefascineerd)
    • boeien verbe (boei, boeit, boeide, boeiden, geboeid)
  27. prendre (en vouloir à quelqu'un; blâmer; avoir de la rancune; )
    beschuldigen; iemand iets verwijten; blameren; kwalijk nemen; nadragen; voor de voeten gooien; iemand iets aanrekenen; laken; aanwrijven
  28. prendre (aller chercher qc; obtenir qc; tirer qc; )
  29. prendre (dérober; priver de; retirer; )
    ontnemen; depriveren; te kort doen; beroven van
    • ontnemen verbe (ontneem, ontneemt, ontnam, ontnomen, ontnomen)
    • depriveren verbe (depriveer, depriveert, depriveerde, depriveerden, gedepriveerd)
    • te kort doen verbe (doe te kort, doet te kort, deed te kort, deden te kort, te kort gedaan)
    • beroven van verbe (beroof van, berooft van, beroofde van, beroofden van, beroofd van)
  30. prendre (recruter; embaucher; engager)
    rekruteren; werven; aanwerven
    • rekruteren verbe (rekruteer, rekruteert, rekruteerde, rekruteerden, gerekruteerd)
    • werven verbe (werf, werft, wierf, wierven, geworven)
    • aanwerven verbe (werf aan, werft aan, werfde aan, werfden aan, aangeworven)

Conjugations for prendre:

Présent
  1. prends
  2. prends
  3. prend
  4. prenons
  5. prenez
  6. prennent
imparfait
  1. prenais
  2. prenais
  3. prenait
  4. prenions
  5. preniez
  6. prenaient
passé simple
  1. pris
  2. pris
  3. prit
  4. prîmes
  5. prîtes
  6. prirent
futur simple
  1. prendrai
  2. prendras
  3. prendra
  4. prendrons
  5. prendrez
  6. prendront
subjonctif présent
  1. que je prenne
  2. que tu prennes
  3. qu'il prenne
  4. que nous prennions
  5. que vous prenniez
  6. qu'ils prennent
conditionnel présent
  1. prendrais
  2. prendrais
  3. prendrait
  4. prendrions
  5. prendriez
  6. prendraient
passé composé
  1. ai pris
  2. as pris
  3. a pris
  4. avons pris
  5. avez pris
  6. ont pris
divers
  1. prends!
  2. prenez!
  3. prenons!
  4. pris
  5. prenant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "prendre":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for prendre



Remove Ads

Remove Ads