Remove Ads

French

Detailed Translations for toucher from French to Dutch

toucher:

toucher verbe

  1. toucher (gagner de l'argent; gagner)
    verdienen
    • verdienen verbe (verdien, verdient, verdiende, verdienden, verdiend)
  2. toucher
    aanraken; voelen
    • aanraken verbe (raak aan, raakt aan, raakte aan, raakten aan, aangeraakt)
    • voelen verbe (voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
  3. toucher
    incasseren; opvangen; iets verduren
    • incasseren verbe (incasseer, incasseert, incasseerde, incasseerden, geïncasseerd)
    • opvangen verbe (vang op, vangt op, ving op, vingen op, opgevangen)
  4. toucher (influencer; faire une saut à; se rapporter à; concerner)
    beïnvloeden; treffen; raken
    • beïnvloeden verbe (beïnvloed, beïnvloedt, beïnvloedde, beïnvloedden, beïnvloed)
    • treffen verbe (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • raken verbe (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
  5. toucher (atteindre; battre)
    treffen; beroeren; raken
    • treffen verbe (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • beroeren verbe (beroer, beroert, beroerde, beroerden, beroerd)
    • raken verbe (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
  6. toucher (concerner; regarder; s'agir de)
    betreffen; aangaan; raken
    • betreffen verbe (betref, betreft, betrof, betroffen, betroffen)
    • aangaan verbe (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
    • raken verbe (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
  7. toucher (tâter; palper; tâtonner)
    betasten; voelen; bevoelen
    • betasten verbe (betast, betastte, betastten, betast)
    • voelen verbe (voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
    • bevoelen verbe (bevoel, bevoelt, bevoelde, bevoelden, bevoeld)
  8. toucher (concerner; regarder; se rapporter à; atteindre; intéresser)
    betreffen; aangaan; slaan op
    • betreffen verbe (betref, betreft, betrof, betroffen, betroffen)
    • aangaan verbe (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
    • slaan op verbe (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, geslagen op)
  9. toucher (frôler)
    toucheren
    • toucheren verbe (toucheer, toucheert, toucheerde, toucheerden, getoucheerd)
  10. toucher (émouvoir; atteindre; concerner; remuer)
    treffen; ontroeren
    • treffen verbe (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • ontroeren verbe (ontroer, ontroert, ontroerde, ontroerden, ontroerd)
    raken
    – hem een klap, schot of stoot toebrengen 1
    • raken verbe (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
      • de kogel raakte hem in de schouder1
  11. toucher (rencontrer; croiser; trouver; découvrir; tomber sur)
    ontmoeten; treffen; tegenkomen
    • ontmoeten verbe (ontmoet, ontmoette, ontmoetten, ontmoet)
    • treffen verbe (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • tegenkomen verbe (kom tegen, komt tegen, kwam tegen, kwamen tegen, tegengekomen)
  12. toucher (toucher à; avoisiner; être limitrophe à; )
    grenzen; grenzen aan
    • grenzen verbe (grens, grenst, grensde, grensden, gegrensd)
    • grenzen aan verbe (grens aan, grenst aan, grensde aan, grensden aan, gegrensd aan)
  13. toucher (émouvoir; émotionner; attendrir)
    ontroeren; aangrijpen
    • ontroeren verbe (ontroer, ontroert, ontroerde, ontroerden, ontroerd)
    • aangrijpen verbe (grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
  14. toucher (commencer; commencer à; démarrer; )
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten verbe (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen verbe (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  15. toucher (encaisser; percevoir)
    incasseren; geld in ontvangst nemen; innen
  16. toucher (obtenir; acquérir; recevoir; percevoir)
    verkrijgen; verwerven
    • verkrijgen verbe (verkrijg, verkrijgt, verkreeg, verkregen, verkregen)
    • verwerven verbe (verwerf, verwerft, verwierf, verwierven, verworven)
  17. toucher (toucher légèrement; frôler; effleurer; )
    aanstippen; aanroeren; even aanraken
    • aanstippen verbe (stip aan, stipt aan, stipte aan, stipten aan, aangestipt)
    • aanroeren verbe (roer aan, roert aan, roerde aan, roerden aan, aangeroerd)
    • even aanraken verbe (raak even aan, raakt even aan, raakte even aan, raakten even aan, even aangeraakt)
  18. toucher (entreprendre; engager; commencer; )
    ondernemen; aangaan
    • ondernemen verbe (onderneem, onderneemt, ondernam, ondernamen, ondernomen)
    • aangaan verbe (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
  19. toucher (récupérer; revivre; ranimer; )
    bekomen; zich hervinden

Conjugations for toucher:

Présent
  1. touche
  2. touches
  3. touche
  4. touchons
  5. touchez
  6. touchent
imparfait
  1. touchais
  2. touchais
  3. touchait
  4. touchions
  5. touchiez
  6. touchaient
passé simple
  1. touchai
  2. touchas
  3. toucha
  4. touchâmes
  5. touchâtes
  6. touchèrent
futur simple
  1. toucherai
  2. toucheras
  3. touchera
  4. toucherons
  5. toucherez
  6. toucheront
subjonctif présent
  1. que je touche
  2. que tu touches
  3. qu'il touche
  4. que nous touchions
  5. que vous touchiez
  6. qu'ils touchent
conditionnel présent
  1. toucherais
  2. toucherais
  3. toucherait
  4. toucherions
  5. toucheriez
  6. toucheraient
passé composé
  1. ai touché
  2. as touché
  3. a touché
  4. avons touché
  5. avez touché
  6. ont touché
divers
  1. touche!
  2. touchez!
  3. touchons!
  4. touché
  5. touchant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

toucher [le ~] nom

  1. le toucher (attouchement; contact; frôlement)
    het contact; de aanraking
  2. le toucher (agression à main armée; attentat; tentative; )
    de impact; de aanslag
  3. le toucher (sentiment; chatouillement; perception; sensation; frisson agréable)
  4. le toucher (sens du toucher)
    de tastzin; de gevoelszin

Synonyms for "toucher":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for toucher



Remove Ads

Remove Ads