Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. bijeenzamelen:


Dutch

Detailed Translations for bijeenzamelen from Dutch to German

bijeenzamelen:

bijeenzamelen verbe

  1. bijeenzamelen (verzamelen; vergaren; sparen; opeenhopen; oppotten)
    versammeln; sammeln; ansammeln
    • versammeln verbe (versammele, versammelst, versammelt, versammelte, versammeltet, versammelt)
    • sammeln verbe (sammele, sammelst, sammelt, sammelte, sammeltet, gesammelt)
    • ansammeln verbe (sammele an, sammelst an, sammelt an, sammelte an, sammeltet an, angesammelt)

Translation Matrix for bijeenzamelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
ansammeln bijeenzamelen; opeenhopen; oppotten; sparen; vergaren; verzamelen accumuleren; hopen; op bankrekening zetten; opeenhopen; oppakken; oppikken; oprapen; opsnappen; sparen; verenigen; verzamelen
sammeln bijeenzamelen; opeenhopen; oppotten; sparen; vergaren; verzamelen accumuleren; bijeen krijgen; bijeenzoeken; collecteren; geld inzamelen; hopen; inzamelen; ontraadselen; ontrafelen; ontwarren; op bankrekening zetten; opeenhopen; sparen; uitpluizen; uitrafelen; uitvezelen; uitzoeken; verenigen; vergaren; verzamelen
versammeln bijeenzamelen; opeenhopen; oppotten; sparen; vergaren; verzamelen bijeenkomen; bijeenzoeken; inzamelen; op bankrekening zetten; oppakken; oppikken; oprapen; opsnappen; samenkomen; scharen; sparen; verenigen; vergaren; verzamelen