Summary
Dutch to German: more detail...
- porren:
-
por:
- Stoß; Schlag; Puff; Bums; leichter Stoß; Anstoß; Anprall; Zusammenstoß
Dutch
Detailed Translations for porren from Dutch to German
porren:
-
porren (een por geven; stoten)
stoßen; anstoßen; schieben; stupsen; aufrütteln-
aufrütteln verbe (rüttele auf, rüttelst auf, rüttelt auf, rüttelte auf, rütteltet auf, aufgerüttelt)
-
porren (aanjagen; aansporen; opjutten)
Conjugations for porren:
o.t.t.
- por
- port
- port
- porren
- porren
- porren
o.v.t.
- porde
- porde
- porde
- porden
- porden
- porden
v.t.t.
- heb gepord
- hebt gepord
- heeft gepord
- hebben gepord
- hebben gepord
- hebben gepord
v.v.t.
- had gepord
- had gepord
- had gepord
- hadden gepord
- hadden gepord
- hadden gepord
o.t.t.t.
- zal porren
- zult porren
- zal porren
- zullen porren
- zullen porren
- zullen porren
o.v.t.t.
- zou porren
- zou porren
- zou porren
- zouden porren
- zouden porren
- zouden porren
en verder
- ben gepord
- bent gepord
- is gepord
- zijn gepord
- zijn gepord
- zijn gepord
diversen
- por!
- port!
- gepord
- porrend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
het porren (aanstoten)
Related Words for "porren":
por:
External Machine Translations:
Images: