Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for vak from Dutch to German

vak:

vak [het ~] nom

  1. het vak (werk; beroep)
    Fach; die Arbeit; der Beruf
  2. het vak (métier; ambacht; stiel)
    Gewerbe; Handwerk; die Wirtschaft; der Kaufhandel; der Handel; der Erwerb; der Beruf; die Branche
  3. het vak (werk; arbeid; taak; )
    die Arbeit; die Beschäftigung; die Tätigkeit
  4. het vak (vriesvak)
    Gefrierfach

Related Words for "vak":


Synonyms for "vak":


Related Definitions for "vak":

  1. wat je doet om geld te verdienen1
    • het is belangrijk dat iedereen een vak leert1
  2. hokje in een kast of la1
    • in dit vak horen de messen1
  3. onderdeel van de wetenschap1
    • wiskunde is een moeilijk vak1
  4. plat vlak, begrensd door rechte lijnen1
    • hoeveel vakjes heeft een dambord?1

External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads