Dutch

Detailed Translations for kapen from Dutch to Spanish

kapen:

Conjugations for kapen:

o.t.t.
  1. kaap
  2. kaapt
  3. kaapt
  4. kapen
  5. kapen
  6. kapen
o.v.t.
  1. kaapte
  2. kaapte
  3. kaapte
  4. kaapten
  5. kaapten
  6. kaapten
v.t.t.
  1. heb gekaapt
  2. hebt gekaapt
  3. heeft gekaapt
  4. hebben gekaapt
  5. hebben gekaapt
  6. hebben gekaapt
v.v.t.
  1. had gekaapt
  2. had gekaapt
  3. had gekaapt
  4. hadden gekaapt
  5. hadden gekaapt
  6. hadden gekaapt
o.t.t.t.
  1. zal kapen
  2. zult kapen
  3. zal kapen
  4. zullen kapen
  5. zullen kapen
  6. zullen kapen
o.v.t.t.
  1. zou kapen
  2. zou kapen
  3. zou kapen
  4. zouden kapen
  5. zouden kapen
  6. zouden kapen
en verder
  1. ben gekaapt
  2. bent gekaapt
  3. is gekaapt
  4. zijn gekaapt
  5. zijn gekaapt
  6. zijn gekaapt
diversen
  1. kaap!
  2. kaapt!
  3. gekaapt
  4. kapend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for kapen:

NounRelated TranslationsOther Translations
coger aangrijpen; aanklampen; aanpakken; aanvatten; beetnemen; beetpakken; begrijpen; greep; snappen; vastpakken; vatten
robar stelen
VerbRelated TranslationsOther Translations
coger achteroverdrukken; afnemen; benemen; gappen; inpikken; jatten; kapen; leegstelen; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken aanklampen; aanpakken; aanvatten; absorberen; afbedelen; beetgrijpen; beetnemen; beetpakken; bemachtigen; betrappen; binden; binnen halen; boeien; grijpen; halen; iets onverwachts doen; ketenen; klauwen; kluisteren; nemen; nuttigen; obsederen; onverlangd krijgen; oogsten; opdoen; oplopen; opnemen; opslorpen; opslurpen; opvangen; pakken; plukken; snappen; te pakken krijgen; tepakkenkrijgen; vangen; vastgrijpen; vastklampen; vastnemen; vastpakken; vatten; verrassen; verschalken; verstrikken; verzamelen; wat neervalt opvangen
hurtqr achteroverdrukken; afnemen; benemen; gappen; inpikken; jatten; kapen; leegstelen; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken
robar achteroverdrukken; afnemen; benemen; gappen; inpikken; jatten; kapen; leegstelen; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken achterhouden; achteroverdrukken; achteruitgaan; afbedelen; afnemen; afpakken; aftroggelen; beroven; beroven van; bestelen; bietsen; declineren; depriveren; gappen; grissen; inpikken; jatten; ladelichten; leegplunderen; minder worden; ontfutselen; ontnemen; ontstelen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; stelen; te kort doen; uitplunderen; verdonkeremanen; verduisteren; vervreemden; wegfutselen; wegkapen; wegpikken

Related Words for "kapen":


Wiktionary Translations for kapen:


Cross Translation:
FromToVia
kapen piratear hijack — to seize control of a vehicle
kapen secuestrar; raptar; plagiar entführen — jemanden (oder etwas in dem sich Personen befinden) heimlich oder gewaltsam wegbringen, verschleppen

kap:

kap [de ~ (m)] nom

  1. de kap (hoofddeksel)
    la toca
  2. de kap (overkapping; dak; overdekking; afdekkap; koepel)
    la cobertura; el techo; el tejado; la cubierta; la cofia; la manta; la cúpula; el cobertizo; la capucha; la capota; la marquesina; el quepis; la capilla; el recubrimiento; el cimborrio

Translation Matrix for kap:

NounRelated TranslationsOther Translations
capilla afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping baret; hoed; kapelletje; muts
capota afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping hoed; kapje; kapothoed
capucha afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping accent circonflexe; capuchon; hoed; kapothoed; monnikskap; samentrekkingsteken
cimborrio afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping koepel
cobertizo afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping abri; afdak; bushalte; bushokje; hoed; luifel; schuur; schuurtje; wachthuisje
cobertura afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping
cofia afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping haarnetje; hoed
cubierta afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping beddensprei; bedekking; boekomslag; boord; dakbedekking; dek; dekking; gewelf; hoed; kaft; kelder; koepel; omslag; overdekking; overtrek; plafond; scheepsdek; sprei; stofomslag
cúpula afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping geschutkoepel; gewelf; hoed; kapje; koepel; plafond; topgewelf
manta afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping beddedeken; dek; deken
marquesina afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping hoed; lichtkrant; markies; parasol; wachthuisjes; zonnescherm; zonwering
quepis afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping hoed; uniformmuts
recubrimiento afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping hoed
techo afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping hoogtegrens; plafond; stormdak; zoldering
tejado afdekkap; dak; kap; koepel; overdekking; overkapping kapje
toca hoofddeksel; kap baret; muts

Related Words for "kap":


Wiktionary Translations for kap:

kap
noun
  1. een bedekking van het hoofd
  2. de afdekking van een gebouw

Cross Translation:
FromToVia
kap cofre; capirote; bonete; capó bonnet — cover over the engine of a motor car
kap tapa; cubierta cover — lid
kap cubierta; casco; campana hood — protective cover
kap capirote; pasamontañas; pasamontaña; capucha hood — headwear
kap capirote; bonete; capó; cofre hood — front of car
kap manta; cobija; tapa couverture — Grande pièce d’étoffe épaisse
kap techo; tejado; techumbre toit — Couverture d’un immeuble (1):