Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for beginnen from Dutch to French

beginnen:

beginnen verbe (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)

  1. beginnen (aanvangen; starten; van start gaan)
  2. beginnen (een begin nemen; aanbreken)
  3. beginnen (aanknopen; aanbinden)
  4. beginnen (inluiden; starten)
  5. beginnen (op gang komen; inzetten; intreden)

Conjugations for beginnen:

o.t.t.
  1. begin
  2. begint
  3. begint
  4. beginnen
  5. beginnen
  6. beginnen
o.v.t.
  1. begon
  2. begon
  3. begon
  4. begonnen
  5. begonnen
  6. begonnen
v.t.t.
  1. ben begonnen
  2. bent begonnen
  3. is begonnen
  4. zijn begonnen
  5. zijn begonnen
  6. zijn begonnen
v.v.t.
  1. was begonnen
  2. was begonnen
  3. was begonnen
  4. waren begonnen
  5. waren begonnen
  6. waren begonnen
o.t.t.t.
  1. zal beginnen
  2. zult beginnen
  3. zal beginnen
  4. zullen beginnen
  5. zullen beginnen
  6. zullen beginnen
o.v.t.t.
  1. zou beginnen
  2. zou beginnen
  3. zou beginnen
  4. zouden beginnen
  5. zouden beginnen
  6. zouden beginnen
diversen
  1. begin!
  2. begint!
  3. begonnen
  4. beginnend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

beginnen [znw.] nom

  1. beginnen (aanvangen)
    le début; le commencement

Related Words for "beginnen":


Synonyms for "beginnen":


Antonyms for "beginnen":


Related Definitions for "beginnen":

  1. het laten ontstaan1
    • ?1
  2. het gaan doen1
    • zuchtend begint Jan met zijn huiswerk1

begin:

begin [het ~] nom

  1. het begin (aanvang; opening; start; inzet)
    le début; le commencement; l'ouverture; le départ; le démarrage; l'amorce; l'origine; le décollage

Related Words for "begin":


Synonyms for "begin":


Antonyms for "begin":


Related Definitions for "begin":

  1. wat het eerst gebeurt, wat je het eerst doet1
    • het begin van dit boek is prachtig, het einde valt tegen.1

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for beginnen



Remove Ads

Remove Ads