Summary
Dutch to French: more detail...
-
heengaan:
- partir; sortir; abandonner; quitter; se retirer; démissionner; se désaffilier; abdiquer; s'en aller; mourir; décéder; crever; être tué; agoniser; trépasser; périr; délier; détacher; décomposer; défaire; dissoudre; subdiviser; prendre la mer; quitter le port; embarquer; faire bagage; prendre le large; s'éloigner; s'absenter; s'endormir; rendre l'âme
- départ; fait de s'en aller
Dutch
Detailed Translations for heengaan from Dutch to French
heengaan:
-
heengaan (vertrekken; verlaten)
partir; sortir; abandonner; quitter; se retirer; démissionner; se désaffilier; abdiquer; s'en aller-
partir verbe
-
sortir verbe
-
abandonner verbe
-
quitter verbe
-
se retirer verbe
-
démissionner verbe
-
se désaffilier verbe
-
abdiquer verbe
-
s'en aller verbe
-
-
heengaan (doodgaan; overlijden; sterven; vallen; bezwijken; omkomen; sneuvelen; wegvallen; inslapen)
-
heengaan (weggaan; gaan; vertrekken; opstappen; opbreken)
partir; abandonner; quitter; délier; détacher; décomposer; défaire; dissoudre; subdiviser; s'en aller-
partir verbe
-
abandonner verbe
-
quitter verbe
-
délier verbe
-
détacher verbe
-
décomposer verbe
-
défaire verbe
-
dissoudre verbe
-
subdiviser verbe
-
s'en aller verbe
-
-
heengaan (afreizen; verlaten; wegtrekken; verdwijnen; wegreizen)
prendre la mer; partir; quitter; quitter le port; embarquer; faire bagage; prendre le large; s'éloigner; s'en aller; s'absenter-
prendre la mer verbe
-
partir verbe
-
quitter verbe
-
quitter le port verbe
-
embarquer verbe
-
faire bagage verbe
-
prendre le large verbe
-
s'éloigner verbe
-
s'en aller verbe
-
s'absenter verbe
-
-
heengaan (overlijden; sterven; doodgaan; inslapen; ontslapen; verscheiden)
mourir; décéder; crever; trépasser; s'endormir; rendre l'âme-
mourir verbe
-
décéder verbe
-
crever verbe
-
trépasser verbe
-
s'endormir verbe
-
rendre l'âme verbe
-
Conjugations for heengaan:
o.t.t.
- ga heen
- gaat heen
- gaat heen
- gaan heen
- gaan heen
- gaan heen
o.v.t.
- ging heen
- ging heen
- ging heen
- gingen heen
- gingen heen
- gingen heen
v.t.t.
- ben heengegaan
- bent heengegaan
- is heengegaan
- zijn heengegaan
- zijn heengegaan
- zijn heengegaan
v.v.t.
- was heengegaan
- was heengegaan
- was heengegaan
- waren heengegaan
- waren heengegaan
- waren heengegaan
o.t.t.t.
- zal heengaan
- zult heengaan
- zal heengaan
- zullen heengaan
- zullen heengaan
- zullen heengaan
o.v.t.t.
- zou heengaan
- zou heengaan
- zou heengaan
- zouden heengaan
- zouden heengaan
- zouden heengaan
diversen
- ga heen!
- gaat heen!
- heengegaan
- heengaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
heengaan (vertrekken)