Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. invoer:
  2. invaren:
  3. invoeren:
  4. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for invoer from Dutch to French

invoer:

invoer [de ~ (m)] nom

  1. de invoer (import)
    l'importation; l'entrée
  2. de invoer
    l'importation
  3. de invoer
    l'entrée

Translation Matrix for invoer:

NounRelated TranslationsOther Translations
entrée import; invoer aankomst; binnengaan; binnenkomst; deur; dorpel; drempel; entree; entreehal; hal; ingang; inkomst; inlaat; inrit; instappen; intocht; intrede; invaart; komst; narthex; ontvangstruimte; oprijlaan; oprit; portiek; receptiekamer; ridderzaal; salon; toegang; tussenkamer; vermelding; voorgerecht; voorhal
importation import; invoer

Wiktionary Translations for invoer:


Cross Translation:
FromToVia
invoer entrée entry — act of entering
invoer entrée input — something fed into a process

invoer form of invaren:

invaren verbe (vaar in, vaart in, voer in, voeren in, ingevaren)

  1. invaren (binnenvaren)

Conjugations for invaren:

o.t.t.
  1. vaar in
  2. vaart in
  3. vaart in
  4. varen in
  5. varen in
  6. varen in
o.v.t.
  1. voer in
  2. voer in
  3. voer in
  4. voeren in
  5. voeren in
  6. voeren in
v.t.t.
  1. ben ingevaren
  2. bent ingevaren
  3. is ingevaren
  4. zijn ingevaren
  5. zijn ingevaren
  6. zijn ingevaren
v.v.t.
  1. was ingevaren
  2. was ingevaren
  3. was ingevaren
  4. waren ingevaren
  5. waren ingevaren
  6. waren ingevaren
o.t.t.t.
  1. zal invaren
  2. zult invaren
  3. zal invaren
  4. zullen invaren
  5. zullen invaren
  6. zullen invaren
o.v.t.t.
  1. zou invaren
  2. zou invaren
  3. zou invaren
  4. zouden invaren
  5. zouden invaren
  6. zouden invaren
en verder
  1. vaarde in
  2. vaarde in
  3. vaarde in
  4. vaarden in
  5. vaarden in
  6. vaarden in
diversen
  1. vaar in!
  2. vaart in!
  3. ingevaren
  4. invarend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for invaren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
entrer dans binnenvaren; invaren belopen; betreden; bewandelen; binnendringen; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenrijden; binnenstappen; binnentreden; binnenvallen; importeren; indringen; infiltreren; ingaan; inrijden; instappen; invallen; invoeren; te voet afleggen
entrer dans un port binnenvaren; invaren

invoeren:

invoeren verbe (voer in, voert in, voerde in, voerden in, ingevoerd)

  1. invoeren (stichten; oprichten; instellen)
    fonder; établir; instaurer; élever; ériger; édifier; dresser
    • fonder verbe (fonde, fondes, fondons, fondez, )
    • établir verbe (établis, établit, établissons, établissez, )
    • instaurer verbe (instaure, instaures, instaurons, instaurez, )
    • élever verbe (élève, élèves, élevons, élevez, )
    • ériger verbe (érige, ériges, érigeons, érigez, )
    • édifier verbe (édifie, édifies, édifions, édifiez, )
    • dresser verbe (dresse, dresses, dressons, dressez, )
  2. invoeren (importeren)
    importer; entrer dans
    • importer verbe (importe, importes, importons, importez, )
    • entrer dans verbe
  3. invoeren
    entrer
    • entrer verbe (entre, entres, entrons, entrez, )

Conjugations for invoeren:

o.t.t.
  1. voer in
  2. voert in
  3. voert in
  4. voeren in
  5. voeren in
  6. voeren in
o.v.t.
  1. voerde in
  2. voerde in
  3. voerde in
  4. voerden in
  5. voerden in
  6. voerden in
v.t.t.
  1. heb ingevoerd
  2. hebt ingevoerd
  3. heeft ingevoerd
  4. hebben ingevoerd
  5. hebben ingevoerd
  6. hebben ingevoerd
v.v.t.
  1. had ingevoerd
  2. had ingevoerd
  3. had ingevoerd
  4. hadden ingevoerd
  5. hadden ingevoerd
  6. hadden ingevoerd
o.t.t.t.
  1. zal invoeren
  2. zult invoeren
  3. zal invoeren
  4. zullen invoeren
  5. zullen invoeren
  6. zullen invoeren
o.v.t.t.
  1. zou invoeren
  2. zou invoeren
  3. zou invoeren
  4. zouden invoeren
  5. zouden invoeren
  6. zouden invoeren
en verder
  1. ben ingevoerd
  2. bent ingevoerd
  3. is ingevoerd
  4. zijn ingevoerd
  5. zijn ingevoerd
  6. zijn ingevoerd
diversen
  1. voer in!
  2. voert in!
  3. ingevoerd
  4. invoerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for invoeren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
dresser instellen; invoeren; oprichten; stichten aanbrengen; aanleggen; arrangeren; bouwen; construeren; funderen; gaan staan; gronden; grondvesten; hoger worden; iets op touw zetten; installeren; monteren en aansluiten; omhoogbrengen; omhoogkomen; oprichten; opstaan; opstijgen; optrekken; opvliegen; overeindzetten; plaatsen; rechtop zetten; regelen; temmen; verheffen
entrer invoeren betreden; binnen gaan; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; doen in; inbrengen; indoen; ingaan; instoppen; intikken; intoetsen; intypen; penetreren
entrer dans importeren; invoeren belopen; betreden; bewandelen; binnendringen; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenrijden; binnenstappen; binnentreden; binnenvallen; binnenvaren; indringen; infiltreren; ingaan; inrijden; instappen; invallen; invaren; te voet afleggen
fonder instellen; invoeren; oprichten; stichten aarden; arrangeren; baseren; bouwen; funderen; gronden; grondvesten; iets op touw zetten; koloniseren; opbouwen; regelen; settelen; vestigen
importer importeren; invoeren importeren
instaurer instellen; invoeren; oprichten; stichten funderen; gronden; grondvesten
édifier instellen; invoeren; oprichten; stichten arrangeren; bouwen; construeren; funderen; gronden; grondvesten; iets op touw zetten; opbouwen; oprichten; optrekken; overeindzetten; regelen
élever instellen; invoeren; oprichten; stichten fokken; funderen; gronden; grondvesten; grootbrengen; heffen; hoger maken; hoger worden; kweken; lichten; omhoog brengen; omhoog doen; omhoogheffen; omhoogkomen; opfokken; opheffen; ophogen; opstijgen; optillen; opvliegen; opvoeden; tillen; verhogen; vormen
ériger instellen; invoeren; oprichten; stichten arrangeren; bouwen; construeren; funderen; gronden; grondvesten; iets op touw zetten; opbouwen; oprichten; optrekken; overeindzetten; regelen
établir instellen; invoeren; oprichten; stichten aarden; baseren; bepalen; determineren; formeren; funderen; gronden; grondvesten; koloniseren; settelen; vaststellen; vestigen

Wiktionary Translations for invoeren:

invoeren
verb
  1. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
invoeren
Cross Translation:
FromToVia
invoeren taper enter — to type into a computer
invoeren importer import — to bring in from a foreign country
invoeren rentrer input — to enter data
invoeren importer importieren — Waren aus dem Ausland in das eigene Land einführen