Summary


Dutch

Detailed Synonyms for overzetten in Dutch

overzetten:

overzetten verbe (zet over, zette over, zetten over, overgezet)

  1. overzetten
    overzetten; transponeren
    • overzetten verbe (zet over, zette over, zetten over, overgezet)
    • transponeren verbe (transponeer, transponeert, transponeerde, transponeerden, getransponeerd)
  2. overzetten
    vertalen; translateren; vertolken; overzetten
    • vertalen verbe (vertaal, vertaalt, vertaalde, vertaalden, vertaald)
    • translateren verbe
    • vertolken verbe (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
    • overzetten verbe (zet over, zette over, zetten over, overgezet)
  3. overzetten
    overzetten
    • overzetten verbe (zet over, zette over, zetten over, overgezet)

Conjugations for overzetten:

o.t.t.
  1. zet over
  2. zet over
  3. zet over
  4. zetten over
  5. zetten over
  6. zetten over
o.v.t.
  1. zette over
  2. zette over
  3. zette over
  4. zetten over
  5. zetten over
  6. zetten over
v.t.t.
  1. heb overgezet
  2. hebt overgezet
  3. heeft overgezet
  4. hebben overgezet
  5. hebben overgezet
  6. hebben overgezet
v.v.t.
  1. had overgezet
  2. had overgezet
  3. had overgezet
  4. hadden overgezet
  5. hadden overgezet
  6. hadden overgezet
o.t.t.t.
  1. zal overzetten
  2. zult overzetten
  3. zal overzetten
  4. zullen overzetten
  5. zullen overzetten
  6. zullen overzetten
o.v.t.t.
  1. zou overzetten
  2. zou overzetten
  3. zou overzetten
  4. zouden overzetten
  5. zouden overzetten
  6. zouden overzetten
en verder
  1. ben overgezet
  2. bent overgezet
  3. is overgezet
  4. zijn overgezet
  5. zijn overgezet
  6. zijn overgezet
diversen
  1. zet over!
  2. zet over!
  3. overgezet
  4. overzettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Related Synonyms for overzetten