Summary
English to Dutch:   more detail...
  1. arm:
  2. Wiktionary:
Dutch to English:   more detail...
  1. arm:
  2. Wiktionary:


English

Detailed Translations for arm from English to Dutch

arm:

arm [the ~] nom

  1. the arm (elbow-rest)
    de arm; de armleuning

to arm verbe (arms, armed, arming)

  1. to arm (reinforce; armour; armor)
    bewapenen; wapenen
    • bewapenen verbe (bewapen, bewapent, bewapende, bewapenden, bewapend)
    • wapenen verbe (wapen, wapent, wapende, wapenden, gewapend)

Conjugations for arm:

present
  1. arm
  2. arm
  3. arms
  4. arm
  5. arm
  6. arm
simple past
  1. armed
  2. armed
  3. armed
  4. armed
  5. armed
  6. armed
present perfect
  1. have armed
  2. have armed
  3. has armed
  4. have armed
  5. have armed
  6. have armed
past continuous
  1. was arming
  2. were arming
  3. was arming
  4. were arming
  5. were arming
  6. were arming
future
  1. shall arm
  2. will arm
  3. will arm
  4. shall arm
  5. will arm
  6. will arm
continuous present
  1. am arming
  2. are arming
  3. is arming
  4. are arming
  5. are arming
  6. are arming
subjunctive
  1. be armed
  2. be armed
  3. be armed
  4. be armed
  5. be armed
  6. be armed
diverse
  1. arm!
  2. let's arm!
  3. armed
  4. arming
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Translation Matrix for arm:

NounRelated TranslationsOther Translations
arm arm; elbow-rest
armleuning arm; elbow-rest
- branch; limb; sleeve; subdivision; weapon; weapon system
VerbRelated TranslationsOther Translations
bewapenen arm; armor; armour; reinforce
wapenen arm; armor; armour; reinforce
- build up; fortify; gird
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
arm destitute; indigent; inferior; needy; penniless; pennyless; poor
OtherRelated TranslationsOther Translations
- fighting service; service; service branch

Related Words for "arm":


Synonyms for "arm":


Antonyms for "arm":


Related Definitions for "arm":

  1. the part of an armchair or sofa that supports the elbow and forearm of a seated person1
  2. any projection that is thought to resemble a human arm1
    • the arm of the record player1
    • an arm of the sea1
  3. the part of a garment that is attached at the armhole and that provides a cloth covering for the arm1
  4. any instrument or instrumentality used in fighting or hunting1
  5. a human limb; technically the part of the superior limb between the shoulder and the elbow but commonly used to refer to the whole superior limb1
  6. a division of some larger or more complex organization1
  7. prepare oneself for a military confrontation1
  8. supply with arms1
    • The U.S. armed the freedom fighters in Afghanistan1

Wiktionary Translations for arm:

arm
noun
  1. heraldic bearings
  2. weapon
  3. portion of the upper appendage from shoulder to wrist
verb
  1. to supply with weapons
arm
noun
  1. lichaamsdeel
  2. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
  3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
  4. een werktuig van geweld
verb
  1. iemand van wapens voorzien

Cross Translation:
FromToVia
arm wapen Waffe — ein technisches Hilfsmittel für die Jagd und den Kampf
arm wapenen; bewapenen armer — Traductions à trier suivant le sens
arm arm bras — Membre

Related Translations for arm



Dutch

Detailed Translations for arm from Dutch to English

arm:

arm [de ~ (m)] nom

  1. de arm (armleuning)
    the arm; the elbow-rest

Translation Matrix for arm:

NounRelated TranslationsOther Translations
arm arm; armleuning
elbow-rest arm; armleuning
inferior inferieur; mindere; ondergeschikte
VerbRelated TranslationsOther Translations
arm bewapenen; wapenen
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
destitute arm; armelijk; armoedig; behoeftig; kommerlijk; minvermogend; noodlijdend; onvermogend berooid; brodeloos; doodarm; misdeeld; straatarm
indigent arm; armelijk; armetierig; armoedig; behoeftig; berooid; kommerlijk; minvermogend; noodlijdend; onvermogend; pover straatarm
inferior arm; inferieur; minderwaardig; ondermaats; ondeugdelijk; slecht; tweederangs; zwak bijkomstig; incapabel; incompetent; inferieur; klein; onbekwaam; ondergeschikt; onderhorig; ondermaats; onderworpen; ongeschikt; van geringe afmeting
needy arm; armelijk; armetierig; armoedig; behoeftig; berooid; kommerlijk; minvermogend; noodlijdend; onvermogend; pover hulpbehoevend; hulpvragend; hulpzoekend; steunzoekend
penniless arm; armelijk; armoedig; behoeftig; kommerlijk; minvermogend; noodlijdend; onvermogend berooid; doodarm; straatarm
poor arm; armelijk; armetierig; armoedig; behoeftig; berooid; inferieur; kommerlijk; minderwaardig; minvermogend; noodlijdend; ondermaats; ondeugdelijk; onvermogend; pover; slecht; tweederangs; zwak armoedig; armzalig; bar; berooid; deerniswekkend; dor; ellendig; erbarmelijk; erg; flodderig; gebrekkig; haveloos; karig; klungelig; krukkig; mager; matig; middelmatig; min; misdeeld; niet al te best; onbeduidend; onbeholpen; onbemiddeld; ondeugdelijk; ongegoed; onhandig; onvermogend; pover; rampzalig; schamel; schraal; schutterig; sjofel; sjofeltjes; slap; slapjes; slungelig; stumperig; stuntelig; sukkelig; verlopen; zwak; zwakjes
- zielig
ModifierRelated TranslationsOther Translations
pennyless arm; armetierig; berooid; pover straatarm

Related Words for "arm":

  • armen, armer, armere, armst, armste, arme

Synonyms for "arm":


Antonyms for "arm":


Related Definitions for "arm":

  1. deel van een ding dat iets pakt of draagt2
    • deze kandelaar heeft vier armen2
  2. lichaamsdeel van hand tot schouder2
    • Anita heeft haar arm gebroken2
  3. wie weinig heeft2
    • ik heb al mijn geld uitgegeven: ik ben arm2
  4. met wie je medelijden hebt2
    • die arme jongen heeft het zwaar bij zijn opstandige vrouw2

Wiktionary Translations for arm:

arm
noun
  1. lichaamsdeel
  2. onderdeel van een organisatie
adjective
  1. weinig bezittend
  2. beklagenswaardig
arm
adjective
  1. poor; destitute
  2. with no possessions or money
  3. to be pitied
noun
  1. portion of the upper appendage from shoulder to wrist
  2. branch

Cross Translation:
FromToVia
arm arm bras — Membre
arm unhappy; sad; dismal; miserable; pitiful; poor; unenviable malheureux — Qui porte malheur, qui annonce ou qui cause du malheur. (Sens général)