Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. pletten:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for pletten from Dutch to German

pletten:

pletten verbe (plet, plette, pletten, geplet)

  1. pletten (platdrukken; platmaken; fijndrukken)
    zerquetschen; platt drücken

Conjugations for pletten:

o.t.t.
  1. plet
  2. plet
  3. plet
  4. pletten
  5. pletten
  6. pletten
o.v.t.
  1. plette
  2. plette
  3. plette
  4. pletten
  5. pletten
  6. pletten
v.t.t.
  1. heb geplet
  2. hebt geplet
  3. heeft geplet
  4. hebben geplet
  5. hebben geplet
  6. hebben geplet
v.v.t.
  1. had geplet
  2. had geplet
  3. had geplet
  4. hadden geplet
  5. hadden geplet
  6. hadden geplet
o.t.t.t.
  1. zal pletten
  2. zult pletten
  3. zal pletten
  4. zullen pletten
  5. zullen pletten
  6. zullen pletten
o.v.t.t.
  1. zou pletten
  2. zou pletten
  3. zou pletten
  4. zouden pletten
  5. zouden pletten
  6. zouden pletten
en verder
  1. ben geplet
  2. bent geplet
  3. is geplet
  4. zijn geplet
  5. zijn geplet
  6. zijn geplet
diversen
  1. plet!
  2. plet!
  3. geplet
  4. plettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for pletten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
platt drücken fijndrukken; platdrukken; platmaken; pletten
zerquetschen fijndrukken; platdrukken; platmaken; pletten fijnmaken; platdrukken; verbrijzelen; vergruizen; vermorzelen; verpletteren

Wiktionary Translations for pletten:

pletten
verb
  1. plat maken

Cross Translation:
FromToVia
pletten plätten; flachmachen flatten — to make something flat