Dutch

Detailed Translations for toezeggen from Dutch to German

toezeggen:

toezeggen verbe (zeg toe, zegt toe, zegde toe, zegden toe, toegezegd)

  1. toezeggen (beloven)
    versprechen; zusagen
    • versprechen verbe (verspreche, versprichst, verspricht, versprach, verspracht, versprochen)
    • zusagen verbe (sage zu, sagst zu, sagt zu, sagte zu, sagtet zu, zugesagt)

Conjugations for toezeggen:

o.t.t.
  1. zeg toe
  2. zegt toe
  3. zegt toe
  4. zeggen toe
  5. zeggen toe
  6. zeggen toe
o.v.t.
  1. zegde toe
  2. zegde toe
  3. zegde toe
  4. zegden toe
  5. zegden toe
  6. zegden toe
v.t.t.
  1. heb toegezegd
  2. hebt toegezegd
  3. heeft toegezegd
  4. hebben toegezegd
  5. hebben toegezegd
  6. hebben toegezegd
v.v.t.
  1. had toegezegd
  2. had toegezegd
  3. had toegezegd
  4. hadden toegezegd
  5. hadden toegezegd
  6. hadden toegezegd
o.t.t.t.
  1. zal toezeggen
  2. zult toezeggen
  3. zal toezeggen
  4. zullen toezeggen
  5. zullen toezeggen
  6. zullen toezeggen
o.v.t.t.
  1. zou toezeggen
  2. zou toezeggen
  3. zou toezeggen
  4. zouden toezeggen
  5. zouden toezeggen
  6. zouden toezeggen
en verder
  1. ben toegezegd
  2. bent toegezegd
  3. is toegezegd
  4. zijn toegezegd
  5. zijn toegezegd
  6. zijn toegezegd
diversen
  1. zeg toe!
  2. zegt toe!
  3. toegezegd
  4. toezeggend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for toezeggen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
versprechen beloven; toezeggen verspreken
zusagen beloven; toezeggen