Dutch

Detailed Translations for blijk from Dutch to German

blijk:

blijk [het ~] nom

  1. het blijk (bewijs; teken)
    der Beweis; Beweisstück

Translation Matrix for blijk:

NounRelated TranslationsOther Translations
Beweis bewijs; blijk; teken beweringsgrond; bewijs; bewijsstuk
Beweisstück bewijs; blijk; teken bewijs; bewijsstuk; papier

Related Words for "blijk":



blijk form of blijken:

blijken verbe (blijk, blijkt, bleek, bleken, gebleken)

  1. blijken (bewaarheid worden; uitkomen)
    erfolgen; erscheinen; erweisen; sichherausstellen; hervorgehen; aufkommen; sichzeigen; vorkommen; folgen; sichergeben; auswirken; folgern; zur Folge haben; eintreffen; führen; erstehen; gipfeln; sicherweisen
    • erfolgen verbe (erfolge, erfolgst, erfolgt, erfolgte, erfolgtet, erfolgt)
    • erscheinen verbe
    • erweisen verbe (erweise, erweist, erwies, erwiest, erwiesen)
    • hervorgehen verbe (gehe hervor, gehst hervor, geht hervor, ging hervor, gingt hervor, hervorgegangen)
    • aufkommen verbe (komme auf, kommst auf, kommt auf, kam auf, kamt auf, aufgekommen)
    • sichzeigen verbe
    • vorkommen verbe (komme vor, kommst vor, kommt vor, kam vor, kamet vor, vorgekommen)
    • folgen verbe (folge, folgst, folgt, folgte, folgtet, gefolgt)
    • sichergeben verbe
    • auswirken verbe (wirke aus, wirkst aus, wirkt aus, wirkte aus, wirktet aus, ausgewirkt)
    • folgern verbe (folgre, folgerst, folgert, folgerte, folgertet, gefolgert)
    • zur Folge haben verbe (habe zur Folge, hast zur Folge, hat zur Folge, hatte zur Folge, habt zur Folge, zur Folge gehabt)
    • eintreffen verbe (treffe ein, triffst ein, trifft ein, traf ein, traft ein, eingetroffen)
    • führen verbe (führe, führst, führt, führte, führtet, geführt)
    • erstehen verbe
    • gipfeln verbe (gipfle, gipfelst, gipfelt, gipfelte, gipfeltet, gegipfelt)
    • sicherweisen verbe

Conjugations for blijken:

o.t.t.
  1. blijk
  2. blijkt
  3. blijkt
  4. blijken
  5. blijken
  6. blijken
o.v.t.
  1. bleek
  2. bleek
  3. bleek
  4. bleken
  5. bleken
  6. bleken
v.t.t.
  1. ben gebleken
  2. bent gebleken
  3. is gebleken
  4. zijn gebleken
  5. zijn gebleken
  6. zijn gebleken
v.v.t.
  1. was gebleken
  2. was gebleken
  3. was gebleken
  4. waren gebleken
  5. waren gebleken
  6. waren gebleken
o.t.t.t.
  1. zal blijken
  2. zult blijken
  3. zal blijken
  4. zullen blijken
  5. zullen blijken
  6. zullen blijken
o.v.t.t.
  1. zou blijken
  2. zou blijken
  3. zou blijken
  4. zouden blijken
  5. zouden blijken
  6. zouden blijken
diversen
  1. blijk!
  2. blijkt!
  3. gebleken
  4. blijkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for blijken:

VerbRelated TranslationsOther Translations
aufkommen bewaarheid worden; blijken; uitkomen in zwang komen; naar buiten hangen; opkomen bij; uithangen
auswirken bewaarheid worden; blijken; uitkomen afwisselen; herzien; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in; veranderen; verwisselen; wijzigen
eintreffen bewaarheid worden; blijken; uitkomen aankomen; arriveren; geraken; terecht komen
erfolgen bewaarheid worden; blijken; uitkomen een stapje verder gaan; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in; verdergaan
erscheinen bewaarheid worden; blijken; uitkomen aan het licht komen; opdagen; opdoemen; opduiken; opkomen; tevoorschijn komen; verrijzen; verschijnen; voor de dag komen; voordoen
erstehen bewaarheid worden; blijken; uitkomen aankopen; aanschaffen; kopen; ontspinnen; opkopen; oprijzen; overnemen; resulteren; rijzen; uitkomen bij; uitvloeien in; verkrijgen; verwerven
erweisen bewaarheid worden; blijken; uitkomen aantonen; betonen; betuigen; bewijzen; doneren; geven; laten zien; nagaan; presenteren; schenken; staven; tonen; verifieren; vertonen; zekerstellen
folgen bewaarheid worden; blijken; uitkomen achternazitten; achtervolgen; gehoorzamen; gevolg geven aan; komen na; luisteren; navolgen; nazitten; opvolgen; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in; volgen
folgern bewaarheid worden; blijken; uitkomen afleiden; deduceren; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in
führen bewaarheid worden; blijken; uitkomen aanvoeren; afstemmen; begeleiden; besturen; bevel voeren over; commanderen; coördineren; indexeren; instellen; leiden; leiding geven; leidinggeven; managen; meevoeren; resulteren; rondleiden; snel bewegen; uitkomen bij; uitvloeien in; van indexnummers voorzien; verwijzen; voeren; voorzitten
gipfeln bewaarheid worden; blijken; uitkomen culmineren; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in
hervorgehen bewaarheid worden; blijken; uitkomen afkomstig zijn; afstammen; ontspringen; ontspruiten; ontstaan uit; resulteren; spruiten; stammen; uitbotten; uitkomen; uitkomen bij; uitlopen; uitvloeien in; voortkomen; voortkomen uit
sichergeben bewaarheid worden; blijken; uitkomen culmineren; resulteren; uitkomen bij; uitvloeien in
sicherweisen bewaarheid worden; blijken; uitkomen
sichherausstellen bewaarheid worden; blijken; uitkomen
sichzeigen bewaarheid worden; blijken; uitkomen
vorkommen bewaarheid worden; blijken; uitkomen een bezwaar ondervangen; ondervangen; voorkomen
zur Folge haben bewaarheid worden; blijken; uitkomen culmineren; resultaat; resulteren; tot gevolg hebben; uitkomen bij; uitmonden; uitvloeien in

Related Words for "blijken":


Antonyms for "blijken":


Related Definitions for "blijken":

  1. wat je kunt merken, wat duidelijk is1
    • de jongen bleek goed in wiskunde te zijn1

Wiktionary Translations for blijken:

blijken
verb
  1. uit iets duidelijk (geworden) zijn
  2. blijken uit

Cross Translation:
FromToVia
blijken erscheinen; einleuchten appear — To become visible to the apprehension of the mind
blijken entstehend emerging — becoming prominent; newly formed; emergent; rising
blijken sich herausstellen; sich zeigen prove — to turn out; to manifest