Dutch

Detailed Translations for vanzelfsprekend from Dutch to German

vanzelfsprekend:


Translation Matrix for vanzelfsprekend:

AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
automatisch automatisch; vanzelfsprekend automatisch; zelfwerkend
- natuurlijk
AdverbRelated TranslationsOther Translations
- uiteraard; vanzelf
ModifierRelated TranslationsOther Translations
mechanisch automatisch; vanzelfsprekend automatisch; machinaal; mechanisch; met machines; werktuigkundig; werktuiglijk; zonder erbij te denken
natürlich 'tuurlijk; allicht; bijgevolg; dus; logisch; natuurlijk; onontkomelijk; uiteraard; vanzelfsprekend; zeker; zonder twijfel behoorlijk; eenvoudig; natuurlijk; nogal; ongedwongen; ongekunsteld; onverplicht; redelijk; spontaan; tamelijk; uit vrije wil; vrijwillig
routinemäßig automatisch; vanzelfsprekend routinematig; routineus
selbsttätig automatisch; vanzelfsprekend automatisch; zelfwerkend
selbstverständlich 'tuurlijk; allicht; bijgevolg; dus; logisch; natuurlijk; onontkomelijk; uiteraard; vanzelfsprekend; zeker; zonder twijfel daadwerkelijk; metterdaad
unwillkürlich automatisch; vanzelfsprekend niet willekeurig; onbewust; onopzettelijk; onwillekeurig
zwangsläufig automatisch; vanzelfsprekend onafwendbaar; onherroepelijk; onontkoombaar; onvermijdelijk

Related Words for "vanzelfsprekend":

  • vanzelfsprekendheid, vanzelfsprekende

Synonyms for "vanzelfsprekend":


Related Definitions for "vanzelfsprekend":

  1. wat iedereen zo begrijpt1
    • vanzelfsprekend neem ik een cadeautje voor je mee1

Wiktionary Translations for vanzelfsprekend:

vanzelfsprekend
adjective
  1. im Sinne von selbstverständlich, klar
  2. adverbial: bestimmt, unbedingt, mit Sicherheit
  3. ohne Weiteres verständlich, sich aus dem Zusammenhang ergebend

Cross Translation:
FromToVia
vanzelfsprekend natürlich naturally — surely
vanzelfsprekend selbstverständlich self-evident — obviously true
vanzelfsprekend anschaulich; augenscheinlich; ersichtlich; evident; offenbar; offenkundig; einleuchtend évident — Dont le sens s’impose naturellement à l’esprit, qui a le caractère de l’évidence.