Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. flikker:
  2. flikkeren:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for flikker from Dutch to English

flikker:

flikker [de ~ (m)] nom

  1. de flikker (mietje; poot; nicht; homo)
    the faggot; the sissy; the queer; the gay; the fagot

Translation Matrix for flikker:

NounRelated TranslationsOther Translations
faggot flikker; homo; mietje; nicht; poot takkenbos
fagot flikker; homo; mietje; nicht; poot takkenbos
gay flikker; homo; mietje; nicht; poot
queer flikker; homo; mietje; nicht; poot eigenaardige; rare; zonderling
sissy flikker; homo; mietje; nicht; poot
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
gay blij; blijgeestig; blijgestemd; blijmoedig; dartel; fideel; fleurig; frivool; geestig; goed geluimd; homo; homofiel; homoseksueel; hups; jolig; kleurig; kwiek; levendig; levenslustig; lichtzinnig; losbandig; lustig; monter; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; tierig; uitgelaten; vreugdevol; vrolijk; wakker; welgemoed; welgestemd; wuft; zonnig
queer curieus; eigenaardig; homo; homofiel; homoseksueel; uitheems; vreemd; vreemdsoortig; zonderling
sissy homo; homofiel; homoseksueel

Related Words for "flikker":

  • flikkeren, flikkers, flikkertje, flikkertjes

Related Definitions for "flikker":

  1. mannelijke homoseksueel1
    • dat is een kroeg waar veel flikkers komen1

Wiktionary Translations for flikker:

flikker
noun
  1. state of total nudity
  2. homosexual

Cross Translation:
FromToVia
flikker faggot; gay Schwulerkann abwertend sein: Homosexueller; jemand, der schwul ist

flikker form of flikkeren:

flikkeren verbe (flikker, flikkert, flikkerde, flikkerden, geflikkerd)

  1. flikkeren (fonkelen; stralen; schijnen; )
    to shine; to twinkle; to sparkle; to flicker; to radiate; to shimmer; to flare; to give off light; to vibrate; to beam
    • shine verbe (shines, shined, shining)
    • twinkle verbe (twinkles, twinkled, twinkling)
    • sparkle verbe (sparkles, sparkled, sparkling)
    • flicker verbe (flickers, flickered, flickering)
    • radiate verbe (radiates, radiated, radiating)
    • shimmer verbe (shimmers, shimmered, shimmering)
    • flare verbe (flares, flared, flaring)
    • give off light verbe (gives off light, gave off light, giving off light)
    • vibrate verbe (vibrates, vibrated, vibrating)
    • beam verbe (beams, beamed, beaming)
  2. flikkeren (flakkeren; vlammen)
    to flame; to blaze
    • flame verbe (flames, flamed, flaming)
    • blaze verbe (blazes, blazed, blazing)
  3. flikkeren (tuimelen; vallen; kiepen; kieperen; kelderen)
    to fall; to tumble; to drop; to trip up
    • fall verbe (falls, fell, falling)
    • tumble verbe (tumbles, tumbled, tumbling)
    • drop verbe (drops, dropped, dropping)
    • trip up verbe (trips up, tripped up, tripping up)

Conjugations for flikkeren:

o.t.t.
  1. flikker
  2. flikkert
  3. flikkert
  4. flikkeren
  5. flikkeren
  6. flikkeren
o.v.t.
  1. flikkerde
  2. flikkerde
  3. flikkerde
  4. flikkerden
  5. flikkerden
  6. flikkerden
v.t.t.
  1. heb geflikkerd
  2. hebt geflikkerd
  3. heeft geflikkerd
  4. hebben geflikkerd
  5. hebben geflikkerd
  6. hebben geflikkerd
v.v.t.
  1. had geflikkerd
  2. had geflikkerd
  3. had geflikkerd
  4. hadden geflikkerd
  5. hadden geflikkerd
  6. hadden geflikkerd
o.t.t.t.
  1. zal flikkeren
  2. zult flikkeren
  3. zal flikkeren
  4. zullen flikkeren
  5. zullen flikkeren
  6. zullen flikkeren
o.v.t.t.
  1. zou flikkeren
  2. zou flikkeren
  3. zou flikkeren
  4. zouden flikkeren
  5. zouden flikkeren
  6. zouden flikkeren
diversen
  1. flikker!
  2. flikkert!
  3. geflikkerd
  4. flikkerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

flikkeren [znw.] nom

  1. flikkeren
    the flickering; the shimmering

Translation Matrix for flikkeren:

NounRelated TranslationsOther Translations
beam balk; dwarsbalk; dwarshout; juk; kruishout; ritshout; straal; straalbundel; stralenbundel
blaze brand; fik; vlammenzee; vuur; vuurzee
drop borrel; drop; dropping; druppel; neut; oorlam; staande receptie; valhoogte
fall achteruitgang; afname; baisse; daling; deflatie; herfst; herfsttijd; instorting; inzinking; landing; minder worden; najaar; neervallen; prijsdaling; prijsverlaging; terechtkomen; teruggang; terugloop; val; vermindering
flare fakkel; flambouw; lichtgranaat; lichtkogel; olifantspijp; signaalvlam; soulpijp; toorts; wijde broekspijp
flicker flakkering; flikkering; geflikker; schijn; schittering; sprankeltje; vonkje
flickering flikkeren flakkering; flikkering; geflikker; schijn; schittering
radiate licht verspreiden; schijnen
shimmering flikkeren
shine flakkering; flikkering; fonkeling; geflikker; gefonkel; glans; glanzen; glimmen; glinstering; gloed; licht verspreiden; schijn; schijnen; schijnsel; schittering; straling
sparkle flakker; flakkering; flikkering; flonkering; fonkelen; fonkeling; geflikker; gefonkel; glinstering; glitter; restjes; schijn; schittering; sprankelen; sprankjes; vonk
tumble buiteling; tuimelen; tuimeling; vallen
twinkle getintel; tinteling
VerbRelated TranslationsOther Translations
beam flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen blaken; glunderen; iets uitstralen; licht uitzenden; overzenden; stralen
blaze flakkeren; flikkeren; vlammen blaken; laaien; licht uitzenden; sterk aanwezig zijn; stralen; vlammen; vlammen uitslaan
drop flikkeren; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen afdruipen; afsmijten; afwerpen; afzetten; afzien van rechtsvervolging; droppen; druipen; druppelen; druppels laten vallen; druppen; inkrimpen; kelderen; krimpen; laten uitstappen; lazeren; omlaagstorten; ontheffen; ontslaan; seponeren; sijpelen; slinken; uitdruppelen; uitsturen; vallen; verwijderen; verzenden; weglaten; wegsturen; wegzenden; zakken
fall flikkeren; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen bezwijken; doodgaan; erin vallen; heengaan; inslapen; kelderen; omkomen; ondergaan; onderuitgaan; op zijn bek gaan; overlijden; raken; sneuvelen; sodemieteren; sterven; te gronde gaan; ten ondergaan; ten val komen; terechtkomen; treffen; vallen; wegvallen; zakken
flame flakkeren; flikkeren; vlammen laaien
flare flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen
flicker flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen opflakkeren
give off light flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen
radiate flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen blaken; glunderen; iets uitstralen; licht uitzenden; stralen; straling uitzenden
shimmer flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen fonkelen; glinsteren; schitteren
shine flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen beschijnen; blaken; fonkelen; glimmen; glinsteren; glunderen; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; schitteren; stralen; verlichten
sparkle flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen flonkeren; fonkelen; glimmen; glinsteren; kralen; mousseren; opbruisen; parelen; schitteren; sprankelen; tintelen; vonken; vonken schieten
trip up flikkeren; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen
tumble flikkeren; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen buitelen; duikelen; kelderen; sodemieteren; zakken
twinkle flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen flonkeren
vibrate flikkeren; fonkelen; glanzen; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen trillen; vibreren

Related Words for "flikkeren":


Wiktionary Translations for flikkeren:

flikkeren
verb
  1. to flicker, glimmer, quiver

Cross Translation:
FromToVia
flikkeren undulate ondoyerremuer, se mouvoir à la manière des ondes.
flikkeren scintillate; flare; flare up; flicker scintillerbriller, jeter des éclats par intermittence.
flikkeren vacillate; wobble vacillerchanceler ; trembler ; n’être pas bien ferme.