Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. plaatsnemen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for plaatsnemen from Dutch to English

plaatsnemen:

plaatsnemen verbe (neem plaats, neemt plaats, nam plaats, namen plaats, plaatsgenomen)

  1. plaatsnemen (gaan zitten; zich neerzetten)
    to sit down; take your seat; to settle down
  2. plaatsnemen (zich vestigen; zich nestelen; neerstrijken)
    to settle; to establish oneself; to take up one's residence somewhere
    • settle verbe (settles, settled, settling)
    • establish oneself verbe (establishes oneself, established oneself, establishing oneself)
    • take up one's residence somewhere verbe (takes up one's residence somewhere, took up one's residence somewhere, taking up one's residence somewhere)

Conjugations for plaatsnemen:

o.t.t.
  1. neem plaats
  2. neemt plaats
  3. neemt plaats
  4. nemen plaats
  5. nemen plaats
  6. nemen plaats
o.v.t.
  1. nam plaats
  2. nam plaats
  3. nam plaats
  4. namen plaats
  5. namen plaats
  6. namen plaats
v.t.t.
  1. heb plaatsgenomen
  2. hebt plaatsgenomen
  3. heeft plaatsgenomen
  4. hebben plaatsgenomen
  5. hebben plaatsgenomen
  6. hebben plaatsgenomen
v.v.t.
  1. had plaatsgenomen
  2. had plaatsgenomen
  3. had plaatsgenomen
  4. hadden plaatsgenomen
  5. hadden plaatsgenomen
  6. hadden plaatsgenomen
o.t.t.t.
  1. zal plaatsnemen
  2. zult plaatsnemen
  3. zal plaatsnemen
  4. zullen plaatsnemen
  5. zullen plaatsnemen
  6. zullen plaatsnemen
o.v.t.t.
  1. zou plaatsnemen
  2. zou plaatsnemen
  3. zou plaatsnemen
  4. zouden plaatsnemen
  5. zouden plaatsnemen
  6. zouden plaatsnemen
diversen
  1. neem plaats!
  2. neemt plaats!
  3. plaatsgenomen
  4. plaatsnemend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for plaatsnemen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
establish oneself neerstrijken; plaatsnemen; zich nestelen; zich vestigen
settle neerstrijken; plaatsnemen; zich nestelen; zich vestigen aanzuiveren; afdoen; afhandelen; beslechten; betalen; bezinken; bijleggen; effenen; egaliseren; genoegdoen; goedmaken; koloniseren; nabetalen; regelen; rekening betalen; ruzie afsluiten; ruzie bijleggen; schikken; settelen; twist uit de weg ruimen; vereffenen; verrekenen; verzoenen; vestigen; voldoen
settle down gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten aanpassen; aarden; gewend raken; gewendraken; inburgeren; wennen
sit down gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten zich zetten; zitten
take up one's residence somewhere neerstrijken; plaatsnemen; zich nestelen; zich vestigen
take your seat gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten

Wiktionary Translations for plaatsnemen:

plaatsnemen
verb
  1. gaan zitten op een daartoe bestemde plek