Dutch

Detailed Translations for van from Dutch to Spanish

van:

van

  1. van

Translation Matrix for van:

AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
apagado uit; van; vanaf nu; vanuit afsluitings-; beslagen; bleek; dof; effen; egaal; eruit; flets; futloos; geblust; gedempt; gelijk; geslepen; glad; glansloos; grauw; halfluid; ingetogen; kleurloos; lamlendig; lusteloos; mat; mistroostig; niet helder; oververmoeid; plat; slap; somber; stemmig; strak; triest; troosteloos; uitgeblust; vlak; vlakuit; vreugdeloos
AdverbRelated TranslationsOther Translations
- vanaf
PrepositionRelated TranslationsOther Translations
- aangaande; inzake; omtrent; over
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
apagado afsluiten
OtherRelated TranslationsOther Translations
desde van sindsdien
ModifierRelated TranslationsOther Translations
anticuado uit; van; vanaf nu; vanuit achterlijk; antiek; eruit; muf; oeroud; onmodern; oubakken; oubollig; oud; oudbakken; oude; ouderwets; ouderwetse; passé; plat; verouderd; verschaald; voorvaderlijk
concluido uit; van; vanaf nu; vanuit af; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij
desde onderuit; per; van onderen; vanaf; vanaf het punt
extinguido uit; van; vanaf nu; vanuit afgestorven; dood; doodgegaan; eruit; gestorven; heengegaan; overleden; uitgestorven

Synonyms for "van":


Antonyms for "van":


Related Definitions for "van":

  1. om aan te geven wat het onderwerp is1
    • dit is het verhaal van een arme man1
  2. om aan te geven bij wie of wat het hoort1
    • die pen is van Theo1
  3. om aan te geven waar vandaan1
    • ik wil kaas van de kaasboer1
  4. om aan te geven welk materiaal het is1
    • het huis is van steen1
  5. te beginnen bij1
    • de vergadering duurt van drie tot vijf1

Wiktionary Translations for van:


Cross Translation:
FromToVia
van a belong — be the property of
van desde; de from — with the origin, starting point or initial reference of or at
van de from — with the source or provenance of or at
van de from — with the separation, exclusion or differentiation of
van de of — objective genitive: connecting noun with object
van de of — indicative of age
van de; describir un sombrío cuadro; entregar una sombría imagen; dibujar una sombría imagen; formar una sombría imagen; esbozar un sombrío cuadro; pintar el sombrío cuadro; hacer un sombrío cuadro; presentar un sombrío cuadro; presentar una sombría imagen; proyectar una sombría imagen; tejar un sombrío cuadro; se tender un sombrío cuadro; trazar un sombrío cuadro; trazar una sombría imagen ein düsteres Bild zeichnen — (etwas oder jemanden) bedrückend negativ, pessimistisch charakterisieren, darlegen, schildern
van de von — Ursprung räumlicher oder zeitlicher Veränderung, Herkunft, Gegenstand der Betrachtung, Ursache, sonstige Verhältnisse
van en; en cuanto a; por lo tocante a; respecto de; acerca de; sobre; dentro de; a; hacia enTraductions à trier suivant le sens

VAN:


Related Translations for van



Spanish

Detailed Translations for van from Spanish to Dutch

VAN:


van form of ir:

ir verbe

  1. ir (dirigirse)
    gaan; zich begeven
  2. ir (mover adelante; andar; mover; correr)
    gaan; lopen; zich voortbewegen; stappen
    • gaan verbe (ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
    • lopen verbe (loop, loopt, liep, liepen, gelopen)
    • stappen verbe (stap, stapt, stapte, stapten, gestapt)
  3. ir
    erbij passen
    • erbij passen verbe (pas erbij, past erbij, paste erbij, pasten erbij, erbij gepast)

Conjugations for ir:

presente
  1. voy
  2. vas
  3. va
  4. vamos
  5. vaís
  6. van
imperfecto
  1. iba
  2. ibas
  3. iba
  4. ibamos
  5. ibáis
  6. iban
indefinido
  1. fuí
  2. fuiste
  3. fue
  4. fuimos
  5. fuisteis
  6. fueron
fut. de ind.
  1. iré
  2. irás
  3. irá
  4. iremos
  5. iréis
  6. irán
condic.
  1. iría
  2. irías
  3. iría
  4. iríamos
  5. iríais
  6. irían
pres. de subj.
  1. que vaya
  2. que vayas
  3. que vaya
  4. que vayamos
  5. que vayáis
  6. que vayan
imp. de subj.
  1. que fuera
  2. que fueras
  3. que fuera
  4. que fueramos
  5. que fuerais
  6. que fueran
miscelánea
  1. ¡ve!
  2. ¡id!
  3. ¡no vayas!
  4. ¡no vayáis!
  5. ido
  6. yendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Translation Matrix for ir:

NounRelated TranslationsOther Translations
lopen andar; caminar; marchar
stappen pasos
VerbRelated TranslationsOther Translations
erbij passen ir
gaan andar; correr; dirigirse; ir; mover; mover adelante irse; largarse; marcharse; partir; salir
lopen andar; correr; ir; mover; mover adelante callejear; calumniar; caminar; correr; deambular; fluir; ir a pie; pasear; pasear lentamente; pasearse; verter
stappen andar; correr; ir; mover; mover adelante andar; dar pasos; estar de juerga; ir al paso; salir
zich begeven dirigirse; ir
zich voortbewegen andar; correr; ir; mover; mover adelante

Synonyms for "ir":


Wiktionary Translations for ir:

ir
verb
  1. zich in een bepaalde richting bewegen

Cross Translation:
FromToVia
ir gaan go — to move from a place to another that is further away (jump)
ir gaan gehenmit einem abhängigen Infinitiv eines Verbs: einen anderen Ort aufsuchen, um dort die mit dem anderen Verb beschrieben Handlung auszuführen
ir gaan gehen — einen Ort oder eine Zusammenkunft verlassen
ir lopen gehen — sich schreitend, schrittweise fortbewegen
ir gaan gehen — (intransitiv), mit einer Vorrichtung als Subjekt: die diesem eigene, charakteristische Aktion ausführen
ir lopen gehen — funktionieren / funktionsfähig sein
ir streven streben — sich voller Energie zu einem bestimmten Ort, Ziel hin bewegen

van form of irse:

irse verbe

  1. irse (partir; salir; largarse; marcharse)
    gaan; vertrekken; weggaan; heengaan; opstappen; opbreken
    • gaan verbe (ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
    • vertrekken verbe (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • weggaan verbe (ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
    • heengaan verbe (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • opstappen verbe (stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
    • opbreken verbe (breek op, breekt op, brak op, braken op, opgebroken)
  2. irse (salir; dejar; marcharse; )
    vertrekken; verlaten; heengaan
    • vertrekken verbe (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • verlaten verbe (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • heengaan verbe (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
  3. irse (salir; marcharse; irse de viaje)
    vertrekken; weggaan; verwijderen; wegtrekken; smeren; afreizen; opstappen; wegreizen
    • vertrekken verbe (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • weggaan verbe (ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
    • verwijderen verbe (verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
    • wegtrekken verbe (trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
    • smeren verbe (smeer, smeert, smeerde, smeerden, gesmeerd)
    • afreizen verbe (reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
    • opstappen verbe (stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
    • wegreizen verbe (reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
  4. irse (irse de viaje; salir; marcharse; )
    verlaten; afreizen; wegtrekken; heengaan; verdwijnen; wegreizen
    • verlaten verbe (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • afreizen verbe (reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
    • wegtrekken verbe (trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
    • heengaan verbe (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • verdwijnen verbe (verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
    • wegreizen verbe (reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
  5. irse (largarse; marcharse; salir; )
    ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; de plaat poetsen; hem smeren
  6. irse (retirar)

Conjugations for irse:

presente
  1. me voy
  2. te vas
  3. se va
  4. nos vamos
  5. os vaís
  6. se van
imperfecto
  1. me iba
  2. te ibas
  3. se iba
  4. nos íamos
  5. os ibais
  6. se iban
indefinido
  1. me fue
  2. te fuiste
  3. se fue
  4. nos fuimos
  5. os fuisteis
  6. se fueron
fut. de ind.
  1. me iré
  2. te irás
  3. se irá
  4. nos iremos
  5. os iréis
  6. se irán
condic.
  1. me iría
  2. te irías
  3. se iría
  4. nos iríamos
  5. os iríais
  6. se irían
pres. de subj.
  1. que me vaya
  2. que te vayas
  3. que se vaya
  4. que nos vayamos
  5. que os vayáis
  6. que se vayan
imp. de subj.
  1. que me fuera
  2. que te fueras
  3. que se fuera
  4. que nos fuéramos
  5. que os fuerais
  6. que se fueran
miscelánea
  1. ¡vete!
  2. ¡idos!
  3. ¡no te vayas!
  4. ¡no os vayáis!
  5. ido
  6. yéndose
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Translation Matrix for irse:

NounRelated TranslationsOther Translations
heengaan fallecimiento; marcha; salidas; salir
opbreken arrepentirse; marcharse
verdwijnen desaparición
verlaten desaparición
vertrekken cuarto; cuartos; fallecimiento; marcha; salidas; salir
verwijderen extirpar; quitar
weggaan salir
VerbRelated TranslationsOther Translations
afreizen abandonar; agotar; alejarse de; correrse; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir; zarpar
de plaat poetsen coger las de Villadiego; despedirse a la francesa; escaparse; evadirse; fugarse; huirse; irse; irse pitando; largarse; marcharse; salir; tomar las de Villadiego
ervandoor gaan coger las de Villadiego; despedirse a la francesa; escaparse; evadirse; fugarse; huirse; irse; irse pitando; largarse; marcharse; salir; tomar las de Villadiego
gaan irse; largarse; marcharse; partir; salir andar; correr; dirigirse; ir; mover; mover adelante
heengaan abandonar; agotar; alejarse de; cesar; correrse; dejar; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; retirarse; salir; zarpar abandonar; adormecerse; adormilarse; caer; desaparecer; dormirse; dormitarse; fallecer; morir; morirse; perecer
hem smeren coger las de Villadiego; despedirse a la francesa; escaparse; evadirse; fugarse; huirse; irse; irse pitando; largarse; marcharse; salir; tomar las de Villadiego
opbreken irse; largarse; marcharse; partir; salir tener ardores de estómago
opstappen irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir
smeren irse; irse de viaje; marcharse; salir aceitar; encebar; engrasar; lubricar; lubrificar
verdwijnen abandonar; agotar; alejarse de; correrse; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir; zarpar desaparecer; disiparse
verlaten abandonar; agotar; alejarse de; cesar; correrse; dejar; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; retirarse; salir; zarpar abandonar; dejar; dejar plantado a alguien
vertrekken abandonar; cesar; dejar; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; retirarse; salir
verwijderen irse; irse de viaje; marcharse; salir alejarse; descartar; desinstalar; distanciar; eliminación; eliminar; expulsar; extirpar; quitar
weggaan irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir
wegreizen abandonar; agotar; alejarse de; correrse; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir; zarpar
wegtrekken abandonar; agotar; alejarse de; correrse; irse; irse de viaje; largarse; marcharse; partir; salir; zarpar
zich uit de voeten maken coger las de Villadiego; despedirse a la francesa; escaparse; evadirse; fugarse; huirse; irse; irse pitando; largarse; marcharse; salir; tomar las de Villadiego
zich verwijderen irse; retirar
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
verlaten abandonado; aislado; aparte; dejado; desierto; desolado; disipado; en si mismo; independiente; separado; solamente; solitario; sólo

Synonyms for "irse":


Wiktionary Translations for irse:

irse
verb
  1. van iets vandaan gaan
  2. weggaan
  3. zich ergens vandaan begeven

Cross Translation:
FromToVia
irse vertrekken depart — to leave
irse weggaan go away — to depart or leave a place
irse weggaan; vertrekken leave — To depart (intransitive)
irse wegwezen scram — go away
irse vluchten; wegstuiven; het op een lopen zetten skedaddle — move or run away quickly
irse afrijden; uitlopen; uitvaren; vertrekken; wegrijden; starten; afgaan; weggaan; zich verwijderen; afvuren; losbranden; opstappen; op weg gaan; tijgen; aan de gang brengen partir — (vieilli) diviser en plusieurs parts. On ne l’emploie plus, en ce sens, que dans cette phrase :