Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. ontplooien:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for ontplooien from Dutch to French

ontplooien:

ontplooien verbe (ontplooi, ontplooit, ontplooide, ontplooiden, ontplooid)

  1. ontplooien (uiteenvouwen)
    ouvrir; déployer
    • ouvrir verbe (ouvre, ouvres, ouvrons, ouvrez, )
    • déployer verbe (déploie, déploies, déployons, déployez, )
  2. ontplooien (tot volle wasdom komen; tot bloei komen; opfleuren; opbloeien)
    éclore; s'épanouir
    • éclore verbe (éclos, éclôt, éclosent, éclorai, )
    • s'épanouir verbe
  3. ontplooien (tot wasdom komen; ontwikkelen)
    développer; s'épanouir
    • développer verbe (développe, développes, développons, développez, )
    • s'épanouir verbe

Conjugations for ontplooien:

o.t.t.
  1. ontplooi
  2. ontplooit
  3. ontplooit
  4. ontplooien
  5. ontplooien
  6. ontplooien
o.v.t.
  1. ontplooide
  2. ontplooide
  3. ontplooide
  4. ontplooiden
  5. ontplooiden
  6. ontplooiden
v.t.t.
  1. heb ontplooid
  2. hebt ontplooid
  3. heeft ontplooid
  4. hebben ontplooid
  5. hebben ontplooid
  6. hebben ontplooid
v.v.t.
  1. had ontplooid
  2. had ontplooid
  3. had ontplooid
  4. hadden ontplooid
  5. hadden ontplooid
  6. hadden ontplooid
o.t.t.t.
  1. zal ontplooien
  2. zult ontplooien
  3. zal ontplooien
  4. zullen ontplooien
  5. zullen ontplooien
  6. zullen ontplooien
o.v.t.t.
  1. zou ontplooien
  2. zou ontplooien
  3. zou ontplooien
  4. zouden ontplooien
  5. zouden ontplooien
  6. zouden ontplooien
en verder
  1. is ontplooid
  2. zijn ontplooid
diversen
  1. ontplooi!
  2. ontplooit!
  3. ontplooid
  4. ontplooiend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ontplooien:

VerbRelated TranslationsOther Translations
déployer ontplooien; uiteenvouwen gebruiken; klaar leggen; ontvouwen; ontwikkelen; openspreiden; openvouwen; tot ontwikkeling brengen; uitklappen; uitslaan; uitspreiden; uitvouwen
développer ontplooien; ontwikkelen; tot wasdom komen bewerkstelligen; evolueren; expanderen; ontwikkelen; openen; realiseren; tot ontwikkeling brengen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwerkelijken; verwezenlijken; verwijden
ouvrir ontplooien; uiteenvouwen aanbreken; aankaarten; aanknopen; aansnijden; aanvangen; beginnen; detacheren; doorprikken; een begin nemen; een weg vrijmaken; entameren; gesprek aanknopen; inleiden; losgaan; losknopen; loskrijgen; losmaken; loswerken; ontgrendelen; ontknopen; ontsluiten; openbreken; opendoen; opendraaien; opendrukken; openen; opengaan; openleggen; openmaken; openprikken; openslaan; opensteken; openstellen; opentrekken; opwerpen; scheiden; starten; te berde brengen; ter sprake brengen; toegankelijk maken; van start gaan; vrijgeven; zich een weg banen
s'épanouir ontplooien; ontwikkelen; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot volle wasdom komen; tot wasdom komen evolueren; kiemen; ontkiemen; ontluiken; ontwikkelen; opbloeien; uit de kiem te voorschijn komen; zich ontsluiten
éclore ontplooien; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot volle wasdom komen ontluiken; opbloeien; zich ontsluiten

Wiktionary Translations for ontplooien:

ontplooien
Cross Translation:
FromToVia
ontplooien → s'épanouir entfaltenübertragen: sich entwickeln, sich zeigen
ontplooien développer entfalten — etwas Gefaltetes auspacken