Dutch

Detailed Translations for opheffen from Dutch to French

opheffen:

opheffen verbe (hef op, heft op, hief op, hieven op, opgeheven)

  1. opheffen (opdoeken)
    supprimer; abolir; détruire; liquider
    • supprimer verbe (supprime, supprimes, supprimons, supprimez, )
    • abolir verbe (abolis, abolit, abolissons, abolissez, )
    • détruire verbe (détruis, détruit, détruisons, détruisez, )
    • liquider verbe (liquide, liquides, liquidons, liquidez, )
  2. opheffen (teniet doen; verijdelen; nullificeren; vernietigen; ondervangen)
    annuler; supprimer; liquider; dénouer; décrocher; annihiler; lever; fermer; déboutonner
    • annuler verbe (annule, annules, annulons, annulez, )
    • supprimer verbe (supprime, supprimes, supprimons, supprimez, )
    • liquider verbe (liquide, liquides, liquidons, liquidez, )
    • dénouer verbe (dénoue, dénoues, dénouons, dénouez, )
    • décrocher verbe (décroche, décroches, décrochons, décrochez, )
    • annihiler verbe (annihile, annihiles, annihilons, annihilez, )
    • lever verbe (lève, lèves, levons, levez, )
    • fermer verbe (ferme, fermes, fermons, fermez, )
    • déboutonner verbe (déboutonne, déboutonnes, déboutonnons, déboutonnez, )
  3. opheffen (optillen; heffen; tillen; )
    – omhoog tillen 1
    lever; hisser; élever; soulever; monter
    • lever verbe (lève, lèves, levons, levez, )
    • hisser verbe (hisse, hisses, hissons, hissez, )
    • élever verbe (élève, élèves, élevons, élevez, )
    • soulever verbe (soulève, soulèves, soulevons, soulevez, )
    • monter verbe (monte, montes, montons, montez, )
  4. opheffen (omhoog heffen; heffen; hijsen)
    lever; soulever; hisser
    • lever verbe (lève, lèves, levons, levez, )
    • soulever verbe (soulève, soulèves, soulevons, soulevez, )
    • hisser verbe (hisse, hisses, hissons, hissez, )
  5. opheffen (teniet doen; terugdraaien; nullificeren; vernietigen; ondervangen)
    annuler
    • annuler verbe (annule, annules, annulons, annulez, )
  6. opheffen (uiteen doen gaan; ontbinden)
    dissoudre; résoudre; résilier
    • dissoudre verbe (dissous, dissout, dissolvons, dissolvez, )
    • résoudre verbe (résous, résout, résolvons, résolvez, )
    • résilier verbe (résilie, résilies, résilions, résiliez, )
  7. opheffen (verbreken; beëindigen; afbreken; )
    rompre; déroger; interrompre; briser; transgresser
    • rompre verbe (romps, romp, rompons, rompez, )
    • déroger verbe
    • interrompre verbe (interromps, interrompt, interrompons, interrompez, )
    • briser verbe (brise, brises, brisons, brisez, )
    • transgresser verbe (transgresse, transgresses, transgressons, transgressez, )

Conjugations for opheffen:

o.t.t.
  1. hef op
  2. heft op
  3. heft op
  4. heffen op
  5. heffen op
  6. heffen op
o.v.t.
  1. hief op
  2. hief op
  3. hief op
  4. hieven op
  5. hieven op
  6. hieven op
v.t.t.
  1. heb opgeheven
  2. hebt opgeheven
  3. heeft opgeheven
  4. hebben opgeheven
  5. hebben opgeheven
  6. hebben opgeheven
v.v.t.
  1. had opgeheven
  2. had opgeheven
  3. had opgeheven
  4. hadden opgeheven
  5. hadden opgeheven
  6. hadden opgeheven
o.t.t.t.
  1. zal opheffen
  2. zult opheffen
  3. zal opheffen
  4. zullen opheffen
  5. zullen opheffen
  6. zullen opheffen
o.v.t.t.
  1. zou opheffen
  2. zou opheffen
  3. zou opheffen
  4. zouden opheffen
  5. zouden opheffen
  6. zouden opheffen
en verder
  1. ben opgeheven
  2. bent opgeheven
  3. is opgeheven
  4. zijn opgeheven
  5. zijn opgeheven
  6. zijn opgeheven
diversen
  1. hef op!
  2. heft op!
  3. opgeheven
  4. opheffend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

opheffen [znw.] nom

  1. opheffen (herroepen; terugnemen; intrekken)
    la révocation; le dédit; l'abrogation; l'action de révoquer
  2. opheffen (beëindigen; opheffing)
    la cessation

Translation Matrix for opheffen:

NounRelated TranslationsOther Translations
abrogation herroepen; intrekken; opheffen; terugnemen afschaffing; geheelonthouding; herroeping
action de révoquer herroepen; intrekken; opheffen; terugnemen
annuler afbestellen; annuleren
cessation beëindigen; opheffen; opheffing beëindiging; einde; slot; sluiting; stagnatie; stilstand
dédit herroepen; intrekken; opheffen; terugnemen afkoopsom
monter klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging
révocation herroepen; intrekken; opheffen; terugnemen herroeping; intrekking; terugneming; terugroepen
VerbRelated TranslationsOther Translations
abolir opdoeken; opheffen afschaffen
annihiler nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen te niet doen
annuler nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; terugdraaien; verijdelen; vernietigen afbestellen; afblazen; afgelasten; afspraak afzeggen; afzeggen; annuleren; bedanken; danken; delgen; intrekken; nietig verklaren; omruilen; omwisselen; ongedaan maken; ongeldig maken; retourneren; ruilen; te niet doen; tenietdoen; terugbrengen; terugdraaien; teruggeven; terugschroeven; terugzenden; vernietigen; verwijderen; verwisselen; wisselen
briser afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen aan stukken breken; aan stukken slaan; aantasten; aanvreten; afbreken; afknappen; barsten; bederven; beschadigen; breken; er vanaf breken; in stukken breken; inslaan; kapotbreken; kapotgooien; kapotmaken; kapotslaan; knakken; kunnen stikken; met opzet kapotmaken; moeren; mollen; neerhalen; omverhalen; slopen; stukbreken; stukgooien; stukmaken; stukslaan; uit elkaar halen; verbrijzelen; verbroddelen; verklungelen; verknallen; verknoeien; verpesten; verzieken
dissoudre ontbinden; opheffen; uiteen doen gaan afbreken; breken; desintegreren; gaan; heengaan; neerhalen; omverhalen; opbreken; opstappen; slopen; uit elkaar halen; uit elkaar vallen; uiteenvallen; vertrekken; weggaan; wegsmelten
déboutonner nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen detacheren; loshaken; losknopen; ontknopen; ontsluiten; opendoen; openen; openmaken; openstellen; tewerkstellen; toegankelijk maken; uitzenden; vrijgeven
décrocher nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen afhaken; afkoppelen; afvallen; afzeggen; afzien van; eruitstappen; loshaken; opgeven; ophouden; stoppen
dénouer nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen detacheren; loshaken; losknopen; loskrijgen; losmaken; lostornen; loswerken; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontsluiten; ontwarren; opendoen; openen; openmaken; openstellen; oplossen; scheiden; toegankelijk maken; tornen; uit de war halen; uit elkaar halen; uithalen; uitpluizen; uitrafelen; uittrekken; uitvezelen; uitzoeken; vrijgeven
déroger afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen
détruire opdoeken; opheffen aantasten; aanvreten; afbreken; bederven; beschadigen; breken; ergens uitscheuren; iets afbreken; in stukken breken; kapotbreken; neerhalen; omverhalen; ruineren; slopen; te gronde richten; tot schroot verwerken; uit elkaar halen; uitroeien; verdelgen; vernielen; vernietigen; verwoesten; wegbreken
fermer nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen afbakenen; afgrendelen; afpalen; afsluiten; afzetten; begrenzen; blokkeren; borgen; dicht maken; dichtbinden; dichtdoen; dichtdraaien; dichtmaken; grendelen; locken; naar einde toewerken; omlijnen; op slot doen; op slot zetten; sluiten; stremmen; toebinden; toedoen; toedraaien; toemaken; toetrekken; vergrendelen
hisser heffen; hijsen; lichten; omhoog brengen; omhoog heffen; omhoogheffen; opheffen; optillen; tillen hieuwen; hieven; hijsen; met een spil omhoogwerken; met een takel ophijsen; omhoogrukken; omhoogtrekken; ophijsen; takelen; v. takelwerk voorzien
interrompre afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen afbreken; afsluiten; beëindigen; doen ophouden; een einde maken aan; eindigen; in de rede vallen; interrumperen; onderbreken; ophouden; stoppen; verstoren; vertoornen
lever heffen; hijsen; lichten; nullificeren; omhoog brengen; omhoog heffen; omhoogheffen; ondervangen; opheffen; optillen; teniet doen; tillen; verijdelen; vernietigen aanwassen; afhalen; afnemen; bliksemen; expanderen; gaan staan; heffen; hieuwen; hieven; hijsen; in de hoogte steken; lichten; meenemen; met een spil omhoogwerken; met een takel ophijsen; naar boven tillen; naar boven trekken; omhoog doen; omhoog komen; omhoog rijzen; omhoog rukken; omhoog trekken; omhooghalen; omhoogheffen; omhoogkomen; omhoogrukken; omhoogsteken; omhoogstijgen; openen; ophalen; ophijsen; opstaan; opzwellen; rijzen; stijgen; takelen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; verheffen; vermeerderen; verruimen; verwijden; weerlichten; weghalen; wegnemen; zwellen
liquider nullificeren; ondervangen; opdoeken; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen afbreken; afmaken; bergen; breken; doden; doodmaken; doodslaan; effenen; egaliseren; koudmaken; liquideren; neerhalen; ombrengen; omverhalen; opruimen; slopen; uit de weg ruimen; uit elkaar halen; uitroeien; uitverkopen; van kant maken; vereffenen; vermoorden
monter heffen; lichten; omhoog brengen; omhoogheffen; opheffen; optillen; tillen assembleren; beklimmen; bestijgen; bevorderd worden; ensceneren; gaan staan; hogerop komen; in elkaar zetten; in scene zetten; jezelf opwerken; klimmen; koppelen; lichten; monteren; naar boven brengen; naar boven dragen; naar boven gaan; naar boven klimmen; naar boven stappen; naar boven tillen; naar boven trekken; omhoog gaan; omhoog rukken; omhoog trekken; omhoogdragen; omhooggaan; omhoogheffen; omhoogklimmen; omhoogkomen; omhooglopen; omhoogrijzen; omhoogrukken; omhoogstappen; omhoogstijgen; opgaan; opklauteren; opklimmen; oprijden; oprijzen; opstaan; opstijgen; opvliegen; opwaarts dragen; opwaarts gaan; opwaarts rijden; opwerken; paardrijden; rijzen; stijgen; uit een minder gunstige positie vooruitkomen; verheffen; vooruitkomen; zich opwerken
rompre afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen aan stukken breken; aan stukken slaan; afbreken; afknappen; barsten; bederven; breken; doorbreken; er vanaf breken; in stukken breken; inslaan; kapot barsten; kapotbreken; kapotgaan; kapotmaken; kapotslaan; knakken; kunnen stikken; losrukken; losscheuren; lostrekken; met opzet kapotmaken; moeren; mollen; neerhalen; omverhalen; onklaar raken; slopen; stukbreken; stukgaan; stukmaken; stukslaan; uit elkaar halen; verbrijzelen; verbroddelen; verklungelen; verknallen; verknoeien; verpesten; verzieken
résilier ontbinden; opheffen; uiteen doen gaan afbestellen; afgelasten; afsluiten; afzeggen; annuleren; bedanken; beëindigen; danken; een einde maken aan; eindigen; intrekken; nietig verklaren; ophouden; stoppen
résoudre ontbinden; opheffen; uiteen doen gaan achterhalen; omzetten; ontcijferen; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontwarren; oplossen; preciseren; te weten komen; tot een oplossing brengen; uitwerken
soulever heffen; hijsen; lichten; omhoog brengen; omhoog heffen; omhoogheffen; opheffen; optillen; tillen aankaarten; aansnijden; aanvoeren; entameren; erop vooruit gaan; heffen; lichten; naar boven tillen; naar boven trekken; naar voren brengen; omhoog doen; omhoog rukken; omhoog trekken; omhooghalen; omhoogheffen; omhoogleiden; omhoogrukken; omhoogtillen; omklappen; op tafel leggen; ophalen; opkalefateren; opknappen; oplappen; opperen; opvijzelen; opwaaien; opwerpen; poneren; stellen; suggereren; te berde brengen; ter sprake brengen; vooruitkomen; vorderen
supprimer nullificeren; ondervangen; opdoeken; opheffen; teniet doen; verijdelen; vernietigen afbestellen; afbreken; afgelasten; afkrijgen; afmaken; afronden; afschaffen; afschrijven; afwerken; afzeggen; annuleren; beëindigen; breken; completeren; doden; doodmaken; doodslaan; een einde maken aan; intrekken; klaarkrijgen; klaarmaken; liquideren; neerhalen; nietig verklaren; ombrengen; omverhalen; opbreken; slopen; uit elkaar halen; uitroeien; van kant maken; vermoorden; verwijderen; volbrengen; volmaken; voltooien; zuur opbreken
transgresser afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen
élever heffen; lichten; omhoog brengen; omhoogheffen; opheffen; optillen; tillen fokken; funderen; gronden; grondvesten; grootbrengen; heffen; hoger maken; hoger worden; instellen; invoeren; kweken; omhoog doen; omhoogkomen; opfokken; ophogen; oprichten; opstijgen; opvliegen; opvoeden; stichten; verhogen; vormen
- besluiten
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
interrompre onderbreken

Related Words for "opheffen":


Synonyms for "opheffen":


Antonyms for "opheffen":


Related Definitions for "opheffen":

  1. er een einde aan maken1
    • wij heffen dit bedrijf op1
  2. omhoog tillen1
    • hij hief de beker op1


opheffen form of ophef:

ophef [de ~ (m)] nom

  1. de ophef (deining)
    la commotion; le bruit; l'éclat; le cas
  2. de ophef (kouwe drukte; drukte; rumoer)
    le tapage; la rumeur; le tam-tam; le vacarme; le brouhaha; le tumulte; le chichis

Translation Matrix for ophef:

NounRelated TranslationsOther Translations
brouhaha drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer gebrom; geluid; gemurmel; geroezemoes; herrie; kabaal; lawaai; leven; rumoer; spektakel
bruit deining; ophef gebrom; gebrul; gebulder; gedruis; gekrijs; geluid; gemurmel; geroezemoes; geschreeuw; herrie; kabaal; lawaai; leven; rumoer; spektakel; tumult
cas deining; ophef aangelegenheid; affaire; casus; geval; gezichtshoek; gezichtspunt; incident; invalshoek; issue; kwestie; kwesties; naamval; oogpunt; perspectief; probleem; problematiek; problemen; punt; standpunt; vraagstuk; zaak; zaakje; zienswijs
chichis drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer drukte; franje; geluid; kouwe drukte; poespas; rumoer
commotion deining; ophef opschudding; opzien; rep; sensatie; verwarring
rumeur drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer achterklap; gebrom; gedruis; geluid; gemurmel; geroddel; geroezemoes; kwaadsprekerij; laster; lastering; lasterpraatje; roddel; roddelpraat; rumoer; tumult; zwartmaken
tam-tam drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer geluid; rumoer; stampei; tamtam
tapage drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer bekloppen; betikken; bonk; bonkend geluid; gedruis; geluid; herrie; kabaal; lawaai; leven; luidruchtigheid; rumoer; spektakel; stampei; tamtam; tumult
tumulte drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer agitatie; beroering; drukte; gebrul; gebulder; gedruis; geharrewar; gekrijs; geluid; geraas; geschreeuw; gewoel; grote menigte; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; ongedurigheid; onrust; oproer; opschudding; opstand; opstootje; opzien; pandemonium; rel; rumoer; sensatie; spektakel; toeloop; tumult; veel mensen; verwarring; volksoproer; vuistgevecht
vacarme drukte; kouwe drukte; ophef; rumoer beroering; drukte; gebrom; gebrul; gebulder; gedruis; gejoel; gejubel; gekrijs; geluid; gemurmel; geraas; geroezemoes; geschreeuw; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; misbaar; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult
éclat deining; ophef blinken; diggel; dreun; emotionele uitval; flakker; flakkering; flikkering; flonkering; fonkeling; geflikker; gefonkel; geglinster; glans; glanzen; glimmen; glinstering; gloed; haarkrul; klap; knal; krul; kwak; luister; ontlading; plotselinge uitbarsting; scherf; schijn; schitteren; schittering; smak; splinter; uitbarsten; uitbarsting; uitval; vonk; vulkaanuitbarsting

Related Words for "ophef":


Wiktionary Translations for ophef:

ophef
noun
  1. het zwaar aan de weg timmeren

Cross Translation:
FromToVia
ophef tapage; tumulte; brouhaha; chahut; bordel hoo-ha — a fuss, commotion, uproar

External Machine Translations: