Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. afmatten:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for afmatten from Dutch to French

afmatten:

afmatten verbe (mat af, matte af, matten af, afgemat)

  1. afmatten (moe maken; uitputten; vermoeien; slopen)
    épuiser; fatiguer; dépérir; exténuer
    • épuiser verbe (épuise, épuises, épuisons, épuisez, )
    • fatiguer verbe (fatigue, fatigues, fatiguons, fatiguez, )
    • dépérir verbe (dépéris, dépérit, dépérissons, dépérissez, )
    • exténuer verbe (exténue, exténues, exténuons, exténuez, )

Conjugations for afmatten:

o.t.t.
  1. mat af
  2. mat af
  3. mat af
  4. matten af
  5. matten af
  6. matten af
o.v.t.
  1. matte af
  2. matte af
  3. matte af
  4. matten af
  5. matten af
  6. matten af
v.t.t.
  1. heb afgemat
  2. hebt afgemat
  3. heeft afgemat
  4. hebben afgemat
  5. hebben afgemat
  6. hebben afgemat
v.v.t.
  1. had afgemat
  2. had afgemat
  3. had afgemat
  4. hadden afgemat
  5. hadden afgemat
  6. hadden afgemat
o.t.t.t.
  1. zal afmatten
  2. zult afmatten
  3. zal afmatten
  4. zullen afmatten
  5. zullen afmatten
  6. zullen afmatten
o.v.t.t.
  1. zou afmatten
  2. zou afmatten
  3. zou afmatten
  4. zouden afmatten
  5. zouden afmatten
  6. zouden afmatten
diversen
  1. mat af!
  2. mat af!
  3. afgemat
  4. afmattende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

afmatten [znw.] nom

  1. afmatten (uitputten; vermoeien)
    le fatiguer; l'harasser; l'épuisement

Translation Matrix for afmatten:

NounRelated TranslationsOther Translations
fatiguer afmatten; uitputten; vermoeien
harasser afmatten; uitputten; vermoeien
épuisement afmatten; uitputten; vermoeien afmatting; moeheid; ontkrachting; oververmoeidheid; uitputting; vermoeidheid; verzwakking
VerbRelated TranslationsOther Translations
dépérir afmatten; moe maken; slopen; uitputten; vermoeien bederven; kwijnen; stukmaken; verbroddelen; verdorsten; vergaan; verklungelen; verknallen; verknoeien; verkommeren; verkwijnen; verpesten; vervallen; verzieken; wegkwijnen; wegslinken
exténuer afmatten; moe maken; slopen; uitputten; vermoeien
fatiguer afmatten; moe maken; slopen; uitputten; vermoeien omroeren; roeren
épuiser afmatten; moe maken; slopen; uitputten; vermoeien aan kracht inboeten; afbeulen; afjakkeren; afsloven; decimeren; dunnen; minder talrijk maken; opgebruiken; opkrijgen; opmaken; ploeteren; sappelen; sloven; uitdunnen; uitputten; verdorsten; verslappen; verzwakken; wegkappen; zich afsloven; zwak worden; zwakker worden; zwoegen

Wiktionary Translations for afmatten:

afmatten
verb
  1. (overgankelijk) uitputtend vermoeien
afmatten
verb
  1. affaiblir extrêmement par la maladie, la fatigue ou les excès.
  2. fatiguer à l’excès, éreinter, harceler.
  3. Fatiguer à l’excès, harasser, exténuer