Dutch

Detailed Translations for treffer from Dutch to French

treffer:

treffer [de ~ (m)] nom

  1. de treffer (doelpunt; goal)
    le but; le goal
  2. de treffer (succesnummer; succes; hit; )
    le succè; le tube
  3. de treffer (toevalstreffer; gelukstreffer; buitenkansje)
    la chance; la bonne aubaine; l'aubaine; la providence; le coup de chance; le coup de veine; le coup veinard
  4. de treffer (schot in de roos; hit; raakschot)
    le bon tir
  5. de treffer
    l'accès

Translation Matrix for treffer:

NounRelated TranslationsOther Translations
accès treffer aanvallen; apoplexie; attaque; attaques; beroerte; beroertes; deur; entree; hersenbloeding; huisdeur; ingang; inlaat; inrit; oprijlaan; oprit; toegang; toegangen
aubaine buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer aanbieding; absolute meevaller; buitenkans; buitenkansje; fortuin; fortuintje; geluk; gelukje; gelukkig toeval; gelukkigheid; het gelukkig-zijn; klapper; koopje; mazzeltje; meevaller; meevallertje; opsteker; spotkoopje; topper; tref; voordeel; voordeeltje
bon tir hit; raakschot; schot in de roos; treffer
bonne aubaine buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer buitenkansje; gelukje; gelukkig toeval; mazzeltje; meevaller; opsteker; voordeel
but doelpunt; goal; treffer aansturen op; ambitie; aspiratie; azen; bedoeling; beduidenis; beduiding; beogen; betekenis; doel; doel bij voetbalwedstrijd; doeleinde; doelstelling; doelwit; einddoel; goal; intentie; inzet; mikpunt; moedwil; oogmerk; pogen; schietschijf; streven; streven naar; trachten; voornemen
chance buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer bof; buitenkansje; fortuin; fortuintje; gelegenheid; geluk; geluk hebbend; gelukje; gelukken; gelukkig toeval; gelukkigheid; gelukzaligheid; heerlijkheid; het gelukkig-zijn; kans; lukken; mazzel; mazzeltje; meevaller; mogelijkheid; opsteker; slagen; tref; voordeel
coup de chance buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer absolute meevaller; buitenkansje; gelukje; gelukkig toeval; geluksstoot; klapper; mazzeltje; meevaller; opsteker; topper; voordeel
coup de veine buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer buitenkansje; gelukje; gelukkig toeval; mazzeltje; meevaller; opsteker; voordeel
coup veinard buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer geluksstoot
goal doelpunt; goal; treffer
providence buitenkansje; gelukstreffer; toevalstreffer; treffer buitenkansje; gelukje; gelukkig toeval; mazzeltje; meevaller; opsteker; voordeel
succè hit; kasstuk; klapper; kraker; schlager; succes; succesnummer; successtuk; topper; treffer
tube hit; kasstuk; klapper; kraker; schlager; succes; succesnummer; successtuk; topper; treffer bestseller; buis; buisje; fiool; flacon; flesje; hit; succes; successtuk; tube

Related Words for "treffer":

  • treffers