Remove Ads

French

Detailed Translations for dresser from French to Dutch

dresser:

dresser verbe

  1. dresser (construire; bâtir; ériger; édifier)
    bouwen; construeren
    • bouwen verbe (bouw, bouwt, bouwde, bouwden, gebouwd)
    • construeren verbe (construeer, construeert, construeerde, construeerden, geconstrueerd)
  2. dresser (installer; construire; mettre)
    installeren; aanleggen; monteren en aansluiten; plaatsen; aanbrengen
    • installeren verbe (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
    • aanleggen verbe (leg aan, legt aan, legde aan, legden aan, aangelegd)
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • aanbrengen verbe (breng aan, brengt aan, bracht aan, brachten aan, aangebracht)
  3. dresser (fonder; établir; instaurer; )
    oprichten; stichten; instellen; invoeren
    • oprichten verbe (richt op, richtte op, richtten op, opgericht)
    • stichten verbe (sticht, stichtte, stichtten, gesticht)
    • instellen verbe (stel in, stelt in, stelde in, stelden in, ingesteld)
    • invoeren verbe (voer in, voert in, voerde in, voerden in, ingevoerd)
  4. dresser (mettre quelque chose debout; construire; ériger; édifier; bâtir)
    oprichten; optrekken; overeindzetten
    • oprichten verbe (richt op, richtte op, richtten op, opgericht)
    • optrekken verbe (trek op, trekt op, trok op, trokken op, opgetrokken)
    • overeindzetten verbe (zet overeind, zette overeind, zetten overeind, overeind gezet)
  5. dresser (dompter)
    temmen
    • temmen verbe (tem, temt, temde, temden, getemd)
  6. dresser (lever; se lever; se mettre debout; )
    opstaan; verheffen; gaan staan; omhoogkomen
    • opstaan verbe (sta op, staat op, stond op, stonden op, opgestaan)
    • verheffen verbe (verhef, verheft, verhief, verhieven, verheven)
    • gaan staan verbe
    • omhoogkomen verbe (kom omhoog, komt omhoog, kwam omhoog, kwamen omhoog, omhooggekomen)
  7. dresser (augmenter en hauteur; élever; s'élever; se hisser; s'agrandir)
    hoger worden
    • hoger worden verbe (word hoger, wordt hoger, werd hoger, werden hoger, hoger geworden)
  8. dresser (décoller; monter; se hisser; )
    opstijgen; omhoogkomen; opvliegen
    • opstijgen verbe (stijg op, stijgt op, steeg op, stegen op, opgestegen)
    • omhoogkomen verbe (kom omhoog, komt omhoog, kwam omhoog, kwamen omhoog, omhooggekomen)
    • opvliegen verbe (vlieg op, vliegt op, vloog op, vlogen op, opgevlogen)
  9. dresser (baser; fonder; établir; )
    grondvesten; funderen; gronden
    • grondvesten verbe (grondvest, grondvestte, grondvestten, gegrondvest)
    • funderen verbe (fundeer, fundeert, fundeerde, fundeerden, gefundeerd)
    • gronden verbe (grond, grondt, grondde, grondden, gegrond)
  10. dresser (aménager; arranger; organiser; )
    regelen; arrangeren; iets op touw zetten
  11. dresser (poser droit; redresser; remettre d'aplomb)
    rechtop zetten; omhoogbrengen

Conjugations for dresser:

Présent
  1. dresse
  2. dresses
  3. dresse
  4. dressons
  5. dressez
  6. dressent
imparfait
  1. dressais
  2. dressais
  3. dressait
  4. dressions
  5. dressiez
  6. dressaient
passé simple
  1. dressai
  2. dressas
  3. dressa
  4. dressâmes
  5. dressâtes
  6. dressèrent
futur simple
  1. dresserai
  2. dresseras
  3. dressera
  4. dresserons
  5. dresserez
  6. dresseront
subjonctif présent
  1. que je dresse
  2. que tu dresses
  3. qu'il dresse
  4. que nous dressions
  5. que vous dressiez
  6. qu'ils dressent
conditionnel présent
  1. dresserais
  2. dresserais
  3. dresserait
  4. dresserions
  5. dresseriez
  6. dresseraient
passé composé
  1. ai dressé
  2. as dressé
  3. a dressé
  4. avons dressé
  5. avez dressé
  6. ont dressé
divers
  1. dresse!
  2. dressez!
  3. dressons!
  4. dressé
  5. dressant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "dresser":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for dresser



Remove Ads

Remove Ads