Dutch
Detailed Translations for aanbreken from Dutch to French
aanbreken:
-
aanbreken (een begin nemen; beginnen)
ouvrir; commencer; partir; lancer; démarrer; entreprendre; se mettre en mouvement; débuter; entamer; étrenner; mettre en marche; entrer en vigueur; s'activer; s'y mettre-
ouvrir verbe
-
commencer verbe
-
partir verbe
-
lancer verbe
-
démarrer verbe
-
entreprendre verbe
-
se mettre en mouvement verbe
-
débuter verbe
-
entamer verbe
-
étrenner verbe
-
mettre en marche verbe
-
entrer en vigueur verbe
-
s'activer verbe
-
s'y mettre verbe
-
Conjugations for aanbreken:
o.t.t.
- breek aan
- breekt aan
- breekt aan
- breken aan
- breken aan
- breken aan
o.v.t.
- brak aan
- brak aan
- brak aan
- braken aan
- braken aan
- braken aan
v.t.t.
- heb aangebroken
- hebt aangebroken
- heeft aangebroken
- hebben aangebroken
- hebben aangebroken
- hebben aangebroken
v.v.t.
- had aangebroken
- had aangebroken
- had aangebroken
- hadden aangebroken
- hadden aangebroken
- hadden aangebroken
o.t.t.t.
- zal aanbreken
- zult aanbreken
- zal aanbreken
- zullen aanbreken
- zullen aanbreken
- zullen aanbreken
o.v.t.t.
- zou aanbreken
- zou aanbreken
- zou aanbreken
- zouden aanbreken
- zouden aanbreken
- zouden aanbreken
diversen
- breek aan!
- breekt aan!
- aangebroken
- aanbrekende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
External Machine Translations:
Images: