Dutch
Detailed Translations for inslapen from Dutch to French
inslapen:
-
inslapen (overlijden; sterven; doodgaan; heengaan; ontslapen; verscheiden)
mourir; décéder; crever; trépasser; s'endormir; rendre l'âme-
mourir verbe
-
décéder verbe
-
crever verbe
-
trépasser verbe
-
s'endormir verbe
-
rendre l'âme verbe
-
-
inslapen (doodgaan; overlijden; sterven; vallen; bezwijken; omkomen; sneuvelen; heengaan; wegvallen)
Conjugations for inslapen:
o.t.t.
- slaap in
- slaapt in
- slaapt in
- slapen in
- slapen in
- slapen in
o.v.t.
- sliep in
- sliep in
- sliep in
- sliepen in
- sliepen in
- sliepen in
v.t.t.
- ben ingeslapen
- bent ingeslapen
- is ingeslapen
- zijn ingeslapen
- zijn ingeslapen
- zijn ingeslapen
v.v.t.
- was ingeslapen
- was ingeslapen
- was ingeslapen
- waren ingeslapen
- waren ingeslapen
- waren ingeslapen
o.t.t.t.
- zal inslapen
- zult inslapen
- zal inslapen
- zullen inslapen
- zullen inslapen
- zullen inslapen
o.v.t.t.
- zou inslapen
- zou inslapen
- zou inslapen
- zouden inslapen
- zouden inslapen
- zouden inslapen
diversen
- slaap in!
- slaapt in!
- ingeslapen
- inslapend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
External Machine Translations:
Images: