Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. kiezel:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for kiezel from Dutch to German

kiezel:

kiezel [de ~ (m)] nom

  1. de kiezel (kiezelsteen)
    der Zündstein; der Felsen; der Stein; Steinchen; der kleineStein; Gehänge; der Nippes; Kleinod; der Steinbock; die Steinplatte; die Nippsache

Translation Matrix for kiezel:

NounRelated TranslationsOther Translations
Felsen kiezel; kiezelsteen gesteente; rots; rotsblok; steen
Gehänge kiezel; kiezelsteen bijou; hangconstructie; hangwerk; juweel; sieraad
Kleinod kiezel; kiezelsteen bijou; juweel; kleinood; sieraad
Nippes kiezel; kiezelsteen bijou; hebbeding; juweel; sieraad; snuisterij; snuisterijen
Nippsache kiezel; kiezelsteen bijou; hebbeding; juweel; kleinigheid; sieraad; snuisterij; snuisterijen
Stein kiezel; kiezelsteen binnenste van een vrucht; gesteente; kei; kinderhoofdje; kinderkopje; pit; rolsteen; ronde keisteen; rots; rotsblok; steen
Steinbock kiezel; kiezelsteen steenbok
Steinchen kiezel; kiezelsteen steentje; steentjes
Steinplatte kiezel; kiezelsteen grafmonument; grafsteen; grafzerk; plavuis
Zündstein kiezel; kiezelsteen
kleineStein kiezel; kiezelsteen

Related Words for "kiezel":


Wiktionary Translations for kiezel:

kiezel
noun
  1. in Flüssen und Bächen rund geschliffener kleiner oder mittelgroßer Stein

Cross Translation:
FromToVia
kiezel Kieselstein pebble — stone