Dutch

Detailed Translations for neerschieten from Dutch to German

neerschieten:

neerschieten verbe (schiet neer, schoot neer, schoten neer, neergeschoten)

  1. neerschieten (schieten op)
  2. neerschieten (overhoopschieten)
    erschießen; niederschießen; abschießen; über den Haufen schießen
    • erschießen verbe
    • niederschießen verbe (schieße nieder, schießest nieder, schießt nieder, schoß nieder, schoßt nieder, niedergeschossen)
    • abschießen verbe (schieße ab, schießest ab, schießt ab, schoß ab, schoßt ab, abgeschossen)
    • über den Haufen schießen verbe (schieße über den Haufen, schießt, schoß, schoßt, geschossen)
  3. neerschieten
    niederschießen; schnell nach unten schießen; hinunterschiessen; herabschiessen; herabspringen; herunterschiessen

Conjugations for neerschieten:

o.t.t.
  1. schiet neer
  2. schiet neer
  3. schiet neer
  4. schieten neer
  5. schieten neer
  6. schieten neer
o.v.t.
  1. schoot neer
  2. schoot neer
  3. schoot neer
  4. schoten neer
  5. schoten neer
  6. schoten neer
v.t.t.
  1. heb neergeschoten
  2. hebt neergeschoten
  3. heeft neergeschoten
  4. hebben neergeschoten
  5. hebben neergeschoten
  6. hebben neergeschoten
v.v.t.
  1. had neergeschoten
  2. had neergeschoten
  3. had neergeschoten
  4. hadden neergeschoten
  5. hadden neergeschoten
  6. hadden neergeschoten
o.t.t.t.
  1. zal neerschieten
  2. zult neerschieten
  3. zal neerschieten
  4. zullen neerschieten
  5. zullen neerschieten
  6. zullen neerschieten
o.v.t.t.
  1. zou neerschieten
  2. zou neerschieten
  3. zou neerschieten
  4. zouden neerschieten
  5. zouden neerschieten
  6. zouden neerschieten
en verder
  1. ben neergeschoten
  2. bent neergeschoten
  3. is neergeschoten
  4. zijn neergeschoten
  5. zijn neergeschoten
  6. zijn neergeschoten
diversen
  1. schiet neer!
  2. schiet neer!
  3. neergeschoten
  4. neerschietend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

neerschieten [znw.] nom

  1. neerschieten (doodschieten; neerleggen)

Translation Matrix for neerschieten:

NounRelated TranslationsOther Translations
Abschießen doodschieten; neerleggen; neerschieten afknallen; afschieten; afvuren; elimineren; schoten lossen; wegwerken
Niederschießen doodschieten; neerleggen; neerschieten
Totschießen doodschieten; neerleggen; neerschieten
VerbRelated TranslationsOther Translations
abschießen neerschieten; overhoopschieten bewaren; doodschieten; doodvonnis uitvoeren; executeren; neerhalen; neersabelen; om het leven brengen; ombrengen; opzij leggen; vermoorden; wegzetten
erschießen neerschieten; overhoopschieten afknallen; afschieten; doodschieten; doodvonnis uitvoeren; executeren; fusilleren; neerhalen; neersabelen; om het leven brengen; ombrengen; vermoorden
herabschiessen neerschieten
herabspringen neerschieten ervanaf springen; neerduiken; omlaagspringen
herunterschiessen neerschieten
hinunterschiessen neerschieten
niederschießen neerschieten; overhoopschieten doodschieten; doodvonnis uitvoeren; executeren; neerhalen; neersabelen; om het leven brengen; ombrengen; vermoorden
schießen auf neerschieten; schieten op beschieten; bestoken
schnell nach unten schießen neerschieten
über den Haufen schießen neerschieten; overhoopschieten naar beneden schieten

External Machine Translations: