Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. ontboeien:


Dutch

Detailed Translations for ontboeien from Dutch to German

ontboeien:

ontboeien verbe (ontboei, ontboeit, ontboeide, ontboeiden, ontboeid)

  1. ontboeien (van de boeien ontdoen)
    entfesseln
    • entfesseln verbe (entfessele, entfesselst, entfesselt, entfesselte, entfesseltet, entfesselt)

Conjugations for ontboeien:

o.t.t.
  1. ontboei
  2. ontboeit
  3. ontboeit
  4. ontboeien
  5. ontboeien
  6. ontboeien
o.v.t.
  1. ontboeide
  2. ontboeide
  3. ontboeide
  4. ontboeiden
  5. ontboeiden
  6. ontboeiden
v.t.t.
  1. heb ontboeid
  2. hebt ontboeid
  3. heeft ontboeid
  4. hebben ontboeid
  5. hebben ontboeid
  6. hebben ontboeid
v.v.t.
  1. had ontboeid
  2. had ontboeid
  3. had ontboeid
  4. hadden ontboeid
  5. hadden ontboeid
  6. hadden ontboeid
o.t.t.t.
  1. zal ontboeien
  2. zult ontboeien
  3. zal ontboeien
  4. zullen ontboeien
  5. zullen ontboeien
  6. zullen ontboeien
o.v.t.t.
  1. zou ontboeien
  2. zou ontboeien
  3. zou ontboeien
  4. zouden ontboeien
  5. zouden ontboeien
  6. zouden ontboeien
en verder
  1. ben ontboeid
  2. bent ontboeid
  3. is ontboeid
  4. zijn ontboeid
  5. zijn ontboeid
  6. zijn ontboeid
diversen
  1. ontboei!
  2. ontboeit!
  3. ontboeid
  4. ontboeiend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ontboeien:

VerbRelated TranslationsOther Translations
entfesseln ontboeien; van de boeien ontdoen afbreken; beëindigen; detacheren; forceren; kraken; losbreken; loskrijgen; losmaken; loswerken; ontbinden; ontketenen; openbreken; opheffen; scheiden; stukmaken; verbreken; verbrijzelen