Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. openschuiven:


Dutch

Detailed Translations for openschuiven from Dutch to German

openschuiven:

openschuiven verbe (schuif open, schuift open, schoof open, schoven open, opengeschoven)

  1. openschuiven
    aufschieben
    • aufschieben verbe (schiebe auf, schiebst auf, schiebt auf, schob auf, schobt auf, aufgeschoben)

Conjugations for openschuiven:

o.t.t.
  1. schuif open
  2. schuift open
  3. schuift open
  4. schuiven open
  5. schuiven open
  6. schuiven open
o.v.t.
  1. schoof open
  2. schoof open
  3. schoof open
  4. schoven open
  5. schoven open
  6. schoven open
v.t.t.
  1. heb opengeschoven
  2. hebt opengeschoven
  3. heeft opengeschoven
  4. hebben opengeschoven
  5. hebben opengeschoven
  6. hebben opengeschoven
v.v.t.
  1. had opengeschoven
  2. had opengeschoven
  3. had opengeschoven
  4. hadden opengeschoven
  5. hadden opengeschoven
  6. hadden opengeschoven
o.t.t.t.
  1. zal openschuiven
  2. zult openschuiven
  3. zal openschuiven
  4. zullen openschuiven
  5. zullen openschuiven
  6. zullen openschuiven
o.v.t.t.
  1. zou openschuiven
  2. zou openschuiven
  3. zou openschuiven
  4. zouden openschuiven
  5. zouden openschuiven
  6. zouden openschuiven
en verder
  1. is opengeschoven
  2. zijn opengeschoven
diversen
  1. schuif open!
  2. schuift open!
  3. opengeschoven
  4. openschuivend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for openschuiven:

VerbRelated TranslationsOther Translations
aufschieben openschuiven aarzelen; dubben; opschorten; opschuiven; rekken; schuivend verplaatsen; talmen; temporiseren; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven; weifelen