Summary


Dutch

Detailed Translations for opluisteren from Dutch to German

opluisteren:

opluisteren verbe (luister op, luistert op, luisterde op, luisterden op, opgeluisterd)

  1. opluisteren
    schmücken; zieren; verzieren
    • schmücken verbe (schmücke, schmückst, schmückt, schmückte, schmücktet, geschmückt)
    • zieren verbe (ziere, zierst, ziert, zierte, ziertet, geziert)
    • verzieren verbe (verziere, verzierst, verziert, verzierte, verziertet, verziert)

Conjugations for opluisteren:

o.t.t.
  1. luister op
  2. luistert op
  3. luistert op
  4. luisteren op
  5. luisteren op
  6. luisteren op
o.v.t.
  1. luisterde op
  2. luisterde op
  3. luisterde op
  4. luisterden op
  5. luisterden op
  6. luisterden op
v.t.t.
  1. heb opgeluisterd
  2. hebt opgeluisterd
  3. heeft opgeluisterd
  4. hebben opgeluisterd
  5. hebben opgeluisterd
  6. hebben opgeluisterd
v.v.t.
  1. had opgeluisterd
  2. had opgeluisterd
  3. had opgeluisterd
  4. hadden opgeluisterd
  5. hadden opgeluisterd
  6. hadden opgeluisterd
o.t.t.t.
  1. zal opluisteren
  2. zult opluisteren
  3. zal opluisteren
  4. zullen opluisteren
  5. zullen opluisteren
  6. zullen opluisteren
o.v.t.t.
  1. zou opluisteren
  2. zou opluisteren
  3. zou opluisteren
  4. zouden opluisteren
  5. zouden opluisteren
  6. zouden opluisteren
diversen
  1. luister op!
  2. luistert op!
  3. opgeluisterd
  4. opluisterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

opluisteren [znw.] nom

  1. opluisteren (versieren; tooien)
    die Ausschmückung; die Girlande; die Verzierung

Translation Matrix for opluisteren:

NounRelated TranslationsOther Translations
Ausschmückung opluisteren; tooien; versieren benodigde; corsage; decor; decoratie; decoreren; draperie; garnering; monstering; opluistering; opsieren; opsiering; opsmukken; ornamentiek; outfit; outillage; sierwerk; tooi; uitmonstering; uitrusting; uitzet; versieren; versiering; versieringen aanbrengen; versiersel
Girlande opluisteren; tooien; versieren benodigde; bloemenfestoen; bloemenslinger; guirlande; monstering; outfit; outillage; slinger; uitmonstering; uitrusting; uitzet; versiering
Verzierung opluisteren; tooien; versieren benodigde; corsage; decor; decoratie; draperie; garnering; monstering; opluistering; opsiering; ornament; ornamentiek; outfit; outillage; sierwerk; tooi; uitmonstering; uitrusting; uitzet; versiering; versiersel
VerbRelated TranslationsOther Translations
schmücken opluisteren opschikken; opsieren; opsmukken; optooien; optuigen; tooien; verfraaien; verluchten; zich mooi maken; zich uitdossen; zich uitmonsteren
verzieren opluisteren aankleden; afwerken; decoreren; garneren; opmaken; opschikken; opsieren; opsmukken; optuigen; schotels garneren; tooien; verfraaien; verluchten; versieren; versieringen aanbrengen; zich mooi maken
zieren opluisteren afwerken; garneren; opmaken; opsmukken; schotels garneren; versieren