Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. ruzie afsluiten:


Dutch

Detailed Translations for ruzie afsluiten from Dutch to German

ruzie afsluiten:

ruzie afsluiten verbe

  1. ruzie afsluiten (goedmaken; bijleggen)
    gutmachen; beilegen; Freiden schließen
    • gutmachen verbe (gutmache, gutmachst, gutmacht, gutmachte, gutmachtet, gutgemacht)
    • beilegen verbe (lege bei, legst bei, legt bei, legte bei, legtet bei, beigelegt)

Translation Matrix for ruzie afsluiten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
Freiden schließen bijleggen; goedmaken; ruzie afsluiten
beilegen bijleggen; goedmaken; ruzie afsluiten afdoen; afhandelen; beslechten; bijbetalen; bijdoen; bijleggen; bijrekenen; bijsluiten; bijtellen; bijvoegen; erbij tellen; erbij voegen; insluiten; kwijten; optellen; schikken; toevoegen; twist uit de weg ruimen; verzoenen; vrede sluiten
gutmachen bijleggen; goedmaken; ruzie afsluiten bijspijkeren; compenseren; ding rechtzetten; fiksen; goedmaken; herstellen; inhalen; maken; rechtstrijken; rechtzetten; repareren; vergoeden

External Machine Translations:

Related Translations for ruzie afsluiten