Dutch

Detailed Translations for situeren from Dutch to German

situeren:

situeren verbe (situeer, situeert, situeerde, situeerden, gesitueerd)

  1. situeren (plaatsen; zich afspelen)
    hinstellen; installieren; einordnen; räumlich anordnen; gruppieren
    • hinstellen verbe (stelle hin, stellst hin, stellt hin, stellte hin, stelltet hin, hingestellt)
    • installieren verbe (installiere, installierst, installiert, installierte, installiertet, installiert)
    • einordnen verbe (ordne ein, ordnest ein, ordnet ein, ordnete ein, ordnetet ein, eingeordnet)
    • gruppieren verbe (gruppiere, gruppierst, gruppiert, gruppierte, gruppiertet, gruppiert)

Conjugations for situeren:

o.t.t.
  1. situeer
  2. situeert
  3. situeert
  4. situeren
  5. situeren
  6. situeren
o.v.t.
  1. situeerde
  2. situeerde
  3. situeerde
  4. situeerden
  5. situeerden
  6. situeerden
v.t.t.
  1. heb gesitueerd
  2. hebt gesitueerd
  3. heeft gesitueerd
  4. hebben gesitueerd
  5. hebben gesitueerd
  6. hebben gesitueerd
v.v.t.
  1. had gesitueerd
  2. had gesitueerd
  3. had gesitueerd
  4. hadden gesitueerd
  5. hadden gesitueerd
  6. hadden gesitueerd
o.t.t.t.
  1. zal situeren
  2. zult situeren
  3. zal situeren
  4. zullen situeren
  5. zullen situeren
  6. zullen situeren
o.v.t.t.
  1. zou situeren
  2. zou situeren
  3. zou situeren
  4. zouden situeren
  5. zouden situeren
  6. zouden situeren
en verder
  1. ben gesitueerd
  2. bent gesitueerd
  3. is gesitueerd
  4. zijn gesitueerd
  5. zijn gesitueerd
  6. zijn gesitueerd
diversen
  1. situeer!
  2. situeert!
  3. gesitueerd
  4. situerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for situeren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
einordnen plaatsen; situeren; zich afspelen bijzetten; deponeren; inpassen; invoegen; leggen; neerleggen; neerzetten; onderuit halen; overgaan op nieuwe rijbaan; passen in; plaatsen; rangordenen; rangschikken; reglementeren; stationeren; voorsorteren; zetten; zich voegen
gruppieren plaatsen; situeren; zich afspelen arrangeren; deponeren; groep; groeperen; indelen; leggen; neerleggen; neerzetten; onderuit halen; ordenen; plaatsen; stationeren; systematiseren; zetten
hinstellen plaatsen; situeren; zich afspelen bijzetten; deponeren; leggen; neerleggen; neerzetten; onderuit halen; plaatsen; stationeren; zetten
installieren plaatsen; situeren; zich afspelen aanbrengen; aanleggen; afstemmen; deponeren; inrichten; installeren; instellen; leggen; monteren en aansluiten; neerleggen; neerzetten; onderuit halen; plaatsen; posten; posteren; stationeren; zetten
räumlich anordnen plaatsen; situeren; zich afspelen

Wiktionary Translations for situeren: