Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. soebatten:


Dutch

Detailed Translations for soebatten from Dutch to German

soebatten:

soebatten verbe (soebat, soebatt, soebatte, soebatten, gesoebat)

  1. soebatten
    bitten; beten; flehen; betteln
    • bitten verbe (bitte, bittest, bittet, bat, batet, gebeten)
    • beten verbe (bete, betest, betet, betete, betetet, gebetet)
    • flehen verbe (flehe, flehst, fleht, flehte, flehtet, gefleht)
    • betteln verbe (bettele, bettelst, bettelt, bettelte, betteltet, gebettelt)

Conjugations for soebatten:

o.t.t.
  1. soebat
  2. soebatt
  3. soebatt
  4. soebatten
  5. soebatten
  6. soebatten
o.v.t.
  1. soebatte
  2. soebatte
  3. soebatte
  4. soebatten
  5. soebatten
  6. soebatten
v.t.t.
  1. heb gesoebat
  2. hebt gesoebat
  3. heeft gesoebat
  4. hebben gesoebat
  5. hebben gesoebat
  6. hebben gesoebat
v.v.t.
  1. had gesoebat
  2. had gesoebat
  3. had gesoebat
  4. hadden gesoebat
  5. hadden gesoebat
  6. hadden gesoebat
o.t.t.t.
  1. zal soebatten
  2. zult soebatten
  3. zal soebatten
  4. zullen soebatten
  5. zullen soebatten
  6. zullen soebatten
o.v.t.t.
  1. zou soebatten
  2. zou soebatten
  3. zou soebatten
  4. zouden soebatten
  5. zouden soebatten
  6. zouden soebatten
en verder
  1. ben gesoebat
  2. bent gesoebat
  3. is gesoebat
  4. zijn gesoebat
  5. zijn gesoebat
  6. zijn gesoebat
diversen
  1. soebat!
  2. soebatt!
  3. gesoebat
  4. soebatten
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for soebatten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
beten soebatten bidden; in gebed zijn; smeken; verzoeken; vragen
betteln soebatten bedelen; bidden; in gebed zijn; klaplopen; op iemands zak teren; parasiteren; schooien; schooieren; smeken; verzoeken; vragen
bitten soebatten aanvragen; bedelen; bidden; in gebed zijn; noden; rekwestreren; schooien; smeken; verzoeken; vragen
flehen soebatten bidden; in gebed zijn; jammeren; jeremiëren; smeken; verzoeken; vragen; weeklagen