Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. tevredenstellen:


Dutch

Detailed Translations for tevredenstellen from Dutch to German

tevredenstellen:

tevredenstellen verbe (stel tevreden, stelt tevreden, stelde tevreden, stelden tevreden, tevredengesteld)

  1. tevredenstellen (schadeloosstellen; afkopen)
    zufriedenstellen; abfinden; abkaufen
    • abfinden verbe (finde ab, findst ab, findt ab, findte ab, findtet ab, abgefindet)
    • abkaufen verbe (kaufe ab, kaufst ab, kauft ab, kaufte ab, kauftet ab, abgekauft)
  2. tevredenstellen
    zufriedenstellen; abfinden

Conjugations for tevredenstellen:

o.t.t.
  1. stel tevreden
  2. stelt tevreden
  3. stelt tevreden
  4. stellen tevreden
  5. stellen tevreden
  6. stellen tevreden
o.v.t.
  1. stelde tevreden
  2. stelde tevreden
  3. stelde tevreden
  4. stelden tevreden
  5. stelden tevreden
  6. stelden tevreden
v.t.t.
  1. heb tevredengesteld
  2. hebt tevredengesteld
  3. heeft tevredengesteld
  4. hebben tevredengesteld
  5. hebben tevredengesteld
  6. hebben tevredengesteld
v.v.t.
  1. had tevredengesteld
  2. had tevredengesteld
  3. had tevredengesteld
  4. hadden tevredengesteld
  5. hadden tevredengesteld
  6. hadden tevredengesteld
o.t.t.t.
  1. zal tevredenstellen
  2. zult tevredenstellen
  3. zal tevredenstellen
  4. zullen tevredenstellen
  5. zullen tevredenstellen
  6. zullen tevredenstellen
o.v.t.t.
  1. zou tevredenstellen
  2. zou tevredenstellen
  3. zou tevredenstellen
  4. zouden tevredenstellen
  5. zouden tevredenstellen
  6. zouden tevredenstellen
en verder
  1. ben tevredengesteld
  2. bent tevredengesteld
  3. is tevredengesteld
  4. zijn tevredengesteld
  5. zijn tevredengesteld
  6. zijn tevredengesteld
diversen
  1. stel tevreden!
  2. stelt tevreden!
  3. tevredengesteld
  4. tevredenstellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for tevredenstellen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
abfinden afkopen; schadeloosstellen; tevredenstellen
abkaufen afkopen; schadeloosstellen; tevredenstellen afkopen; schadeloosstellen; terugbetalen; vergoeden
zufriedenstellen afkopen; schadeloosstellen; tevredenstellen begeerte stillen; bevredigen; tevreden stellen; vergenoegen; verzadigen; voldoen; voldoening geven; volstaan; zich de buik vol eten