Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. trut:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for trut from Dutch to German

trut:

trut [de ~ (v)] nom

  1. de trut (troela; troel)
    die Schreckschraube; die Schlange; die Trulla; Aas; Fischweib; Luder; Weib; die Hexe
  2. de trut (takkewijf)
    die Zicke; die Klunte; die Gans; die Eselin

Translation Matrix for trut:

NounRelated TranslationsOther Translations
Aas troel; troela; trut aas; ellendeling; kadaver; klier; kreng; lijk; lokaas; lokmiddel; mispunt; schoft; schurk; serpent; slang; smeerlap; stuk ongeluk; vervelend kreng
Eselin takkewijf; trut ezelin
Fischweib troel; troela; trut feeks; haaibaai; heks; helleveeg; loeder; teef; vervelend kreng; viswijf
Gans takkewijf; trut gans; gansje
Hexe troel; troela; trut feeks; haaibaai; heks; helleveeg; loeder; teef; tovenares; toverheks; toverkol; vervelend kreng; viswijf
Klunte takkewijf; trut geit
Luder troel; troela; trut ellendeling; feeks; haaibaai; heks; helleveeg; klier; kreng; loeder; mispunt; schoft; schurk; serpent; slang; smeerlap; stuk ongeluk; teef; vals wicht; vervelend kreng; viswijf
Schlange troel; troela; trut colonne; ellendeling; feeks; file; gelid; haaibaai; heks; helleveeg; klier; kreng; loeder; mispunt; rij; rijtje; schoft; schurk; serpent; slang; smeerlap; stuk ongeluk; teef; vals wicht; veldslang; vervelend kreng; viswijf; waterserpent; waterslang
Schreckschraube troel; troela; trut feeks; haaibaai; heks; helleveeg; kenau; lelijke heks; loeder; teef; vervelend kreng; viswijf
Trulla troel; troela; trut feeks; haaibaai; heks; helleveeg; loeder; teef; vervelend kreng; viswijf
Weib troel; troela; trut echtgenote; feeks; gade; gemalin; haaibaai; heks; helleveeg; kerel; loeder; man; manspersoon; teef; vent; vervelend kreng; viswijf; vrouw; vrouwmens; vrouwspersoon; wijf
Zicke takkewijf; trut geit

Related Words for "trut":

  • trutten

Wiktionary Translations for trut:

trut
noun
  1. abwertend: störrische, launenhafte Frau

Cross Translation:
FromToVia
trut Blödmann; Scheißkerl; Idiot connard — (vulgaire) insulte désignant quelqu’un qui se comporte de façon déplaisante ou déplacée, par manque d’intelligence, de savoir-vivre ou de scrupules.