Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. wiegen:
  2. wieg:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for wiegen from Dutch to German

wiegen:

wiegen verbe (wieg, wiegt, wiegde, wiegden, gewiegd)

  1. wiegen (schommelen)
    schaukeln; wiegen; schwanken
    • schaukeln verbe (schaukele, schaukelst, schaukelt, schaukelte, schaukeltet, geschaukelt)
    • wiegen verbe (wiege, wiegst, wiegt, wiegte, wiegtet, gewiegt)
    • schwanken verbe (schwanke, schwankst, schwankt, schwankte, schwanktet, geschwankt)
  2. wiegen (heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen)
    schwenken; pendeln; hin und her wanken; schwanken; schwingen; schleudern; schaukeln; taumeln; wanken; schlenkern; schlingern
    • schwenken verbe (schwenke, schwenkst, schwenkt, schwenkte, schwenktet, geschwenkt)
    • pendeln verbe (pendele, pendelst, pendelt, pendelte, pendeltet, gependelt)
    • schwanken verbe (schwanke, schwankst, schwankt, schwankte, schwanktet, geschwankt)
    • schwingen verbe (schwinge, schwingst, schwingt, schwang, schwangt, geschwungen)
    • schleudern verbe (schleudere, schleuderst, schleudert, schleuderte, schleudertet, geschleudert)
    • schaukeln verbe (schaukele, schaukelst, schaukelt, schaukelte, schaukeltet, geschaukelt)
    • taumeln verbe (taumele, taumelst, taumelt, taumelte, taumeltet, getaumelt)
    • wanken verbe (wanke, wankst, wankt, wankte, wanktet, gewankt)
    • schlenkern verbe (schlenkere, schlenkerst, schlenkert, schlenkerte, schlenkertet, geschlenkert)
    • schlingern verbe (schlingere, schlingerst, schlingert, schlingerte, schlingertet, geschlingert)

Conjugations for wiegen:

o.t.t.
  1. wieg
  2. wiegt
  3. wiegt
  4. wiegen
  5. wiegen
  6. wiegen
o.v.t.
  1. wiegde
  2. wiegde
  3. wiegde
  4. wiegden
  5. wiegden
  6. wiegden
v.t.t.
  1. heb gewiegd
  2. hebt gewiegd
  3. heeft gewiegd
  4. hebben gewiegd
  5. hebben gewiegd
  6. hebben gewiegd
v.v.t.
  1. had gewiegd
  2. had gewiegd
  3. had gewiegd
  4. hadden gewiegd
  5. hadden gewiegd
  6. hadden gewiegd
o.t.t.t.
  1. zal wiegen
  2. zult wiegen
  3. zal wiegen
  4. zullen wiegen
  5. zullen wiegen
  6. zullen wiegen
o.v.t.t.
  1. zou wiegen
  2. zou wiegen
  3. zou wiegen
  4. zouden wiegen
  5. zouden wiegen
  6. zouden wiegen
diversen
  1. wieg!
  2. wiegt!
  3. gewiegd
  4. wiegend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for wiegen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
hin und her wanken heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen
pendeln heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen deinen; golven
schaukeln heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen afdekken; afruimen; deinen; dobberen; flikken; golven; iemand iets flikken; lappen; laten hobbelen; leveren; opruimen; wiegelen
schlenkern heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen bengelen; deinen; golven; pendelen; reizen tussen; rondslingeren; slingeren; zwengelen
schleudern heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen centrifugeren; deinen; donderen; floepen; glippen; golven; naar beneden werpen; neerwerpen; omlaag werpen; onweren; wegglippen
schlingern heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen bengelen; deinen; door elkaar halen; golven; heen en weer zwaaien; in de war maken; pendelen; reizen tussen; slingeren; uit zijn evenwicht raken; zwaaien; zwenken
schwanken heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen aarzelen; deinen; dubben; fluctueren; golven; oscilleren; talmen; twijfelen; variëren; waggelen; wankelen; weifelen; wisselvallig zijn
schwenken heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen deinen; draaien; golven; heen en weer zwaaien; keren; kolken; omdraaien; omschudden; ronddraaien; slingeren; wenden; wuiven; zwaaien; zwenken
schwingen heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen deinen; golven; met iemand worstelen; oscilleren; touwtrekken; worstelen; zwengelen; zwiepen; zwieren
taumeln heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen buitelen; duikelen; duizelen; flikkeren; fluctueren; in de war maken; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen; variëren; waggelen
wanken heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; wiebelen; wiegen aarzelen; dubben; fluctueren; talmen; variëren; waggelen; wankelen; weifelen
wiegen schommelen; wiegen deinen; golven; wegen; wiegelen; wuiven; zwaaien

Related Words for "wiegen":


Wiktionary Translations for wiegen:

wiegen
verb
  1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
wiegen
  1. jemanden oder etwas vorsichtig hin und her schaukeln
  2. Kräuter fein hacken (mit einem Wiegemesser)

Cross Translation:
FromToVia
wiegen wiegen cradle — to rock (a baby to sleep)
wiegen schwanken; schaukeln; wiegen rock — move gently back and forth
wiegen wiegen bercerbalancer dans un berceau.

wiegen form of wieg:

wieg [de ~] nom

  1. de wieg (slaapplaats voor baby's; kribbe)
    die Krippe; die Wiege

Translation Matrix for wieg:

NounRelated TranslationsOther Translations
Krippe kribbe; slaapplaats voor baby's; wieg crèche; kinderdagverblijf; krib; voederbak voor dieren
Wiege kribbe; slaapplaats voor baby's; wieg bakermat; geboorteplaats; schommelbedje

Related Words for "wieg":


Wiktionary Translations for wieg:

wieg
noun
  1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
wieg
noun
  1. übertr. zu [1]; Plural selten; geh.|: Ort, an dem etwas entsteht, sich entwickelt; Ort, von dem etwas ausgeht, entspringt
  2. entweder mit zwei abgerundeten Kufen beziehungsweise Schaukelbrettern versehendes beziehungsweise in ein spezielles Gestell eingehängtes oder frei von der Decke hängendes kastenförmiges Bettchen für Säuglinge, mithilfe dessen der Säugling (in Längs- oder Querrichtung) gewiegt beziehungsweise geschaukelt werden kann

Cross Translation:
FromToVia
wieg Wiege cradle — oscillating bed for a baby
wieg Wiege berceaupetit lit où l’on coucher les nourrissons et qui disposer pour que l’on puisse le balancer, le bercer, aisément.